Spring naar inhoud


Enkele artikelen over kanker bij honden door dr. Carol Beuchat.
Met toestemming overgenomen en vertaald van de website van het Institute of Canine Biology.


Kanker

Data van:
Dobson JM 2013 Breed-predispositions to cancer in pedigree dogs.  ISRN Vet Sci 2013; ID 941275 (pdf)

Lees mijn commentaar op deze data hier:
Cancer Surprises (wordt nog vertaald)

Stertecijfers t.g.v. kanker per ras.  (data van tabel1 in Dobson 2013)Boven - alfabetisch geordend
Beneden - op grootte geordend

Gemiddelde leeftijd overlijden.  (Data van tabel 1 in Dobson 2013)
Boven - alfabetisch geordend
Onder - op grootte geordend


Data van -
Modiano, JF, M Breen, RC Burnett, HG Parker, S Inusah, R Thomas, PR Avery, K Lindblad-Toh, EA Ostrander, GC Cutter & AC Avery  2005  Distinct b-cell and T-cell lymphoproliferative disease prevalence among dog breeds indicates heritable risk.  Cancer Res 65: 5654-566.

lymfoproliferatieve aandoeningen:

 


Egenvall A, A Nodtvedt & H vEuler  2007  Bone tumors in a population of 400,000 insured swedish dogs up to 10 y of age: incidence and survival.  Canad J Vet Res 71:292-299.

Bottumoren:

 

31-12-2014, Waarom krijgen honden kanker?

Sommige rassen lijken veel hogere aantallen gevallen van kanker te hebben dan andere. Flatcoated Retrievers, Berner Sennenhonden en Golden Retrievers zijn enkele rassen die hard lijken te worden getroffen. Er zijn enkele goede naar ras gespecifieerde data betreffende kanker die ik in voorgaand artikel ("Kanker") heb samengevat, en de relevante grafiek heb ik hieronder nogmaals geplaatst:

De duidelijke verliezers zijn hier de Ierse Water Sapniel, Flat-coat, draadharige Vizsla en de Berner Sennehond, maar er zijn vele ander rassen die een mortaliteit van meer dan 30%  kennen, welke te wijten is aan kanker. Aan de andere kant doen de Shih Tzu, Keeshond, Dashond en Lhasa Apso het beter dan de meeste. Deze data komen van een overzichtsstudie, en natuurlijk kanker kan in elk ras voorkomen en er zijn zonder twijfel Flatcoats en Berner Sennenhonden die kankervrij blijven tot in hoge ouderdom (dat hoop ik toch). Maar we kunnen deze data als een indicatie gebruiken voor ras-gevoeligheid.

Een interessant ding betreffende kanker bij honden is dat grote honden een hogere mortaliteit ten gevolge van kanker, lijken te kennen dan kleine honden. Ik heb dezelfde data als in bovenstaande grafiek genomen en deze afgezet tegen schofthoogte en je ziet in de grafiek (hieronder) die daaruit komt, dat sterfte ten gevolge van kanker toeneemt met de grootte van de hond (let op dat de schaal van de assen niet lineair is).

Er zijn enkele interessante punten die hier opvallen. Ten eerste, grote honden hebben meer kanker. Dit zou misschien te maken kunnen hebben met het IGF1 hormoon (insuline gelijkende groeifactor), die in grotere mate voorkomt in grotere dieren en is gelinkt aan een vergroot risico op kanker. Er is een populatie mensen in Ecuador waarbij een aandoening bekend als Laron syndroom, voorkomt die veroorzaakt wordt door een mutatie in het groeihormoon receptor (GHR). Deze patiënten zijn erg klein van postuur en krijgen zeer zelden kanker of diabetes. Dit lijkt gerelateerd te zijn aan de abnormaal lage waardes IGF1 -lagere waardes voor IGF1 reduceren de kans op kanker en andere leeftijd-gerelateerde aandoeningen.

Dus, zijn IGF1 waardes hoger in grote honden (of lager in kleine honden)? Het lijkt erop (Spichiger et al 2006; Kimberly et al 2011)

Kan selectie voor grotere honden per ongeluk het risico op het krijgen van kanker hebben vergroot? Wie weet, maar het lijkt de moeite waard om hier verder naar te kijken.

Het andere interessante punt betreffende mijn grafiek betreffende kanker-mortaliteit vs schofthoogte is dat er een hoop verstrooiing is rondom de lijn. Voor rassen van een bepaalde hoogte, kan de mortaliteit tweevoudig of meer variëren. Bijvoorbeeld, voor hun schofthoogte, hebben Shih Tzu's een exceptioneel laag kankersterftecijfer , terwijl het sterftecijfer voor de Welsh en Staffordshire Terrier veel groter is dan je zou verwachten voor hun formaat. Onder de grote rassen zijn de Ierse Water Spaniel, Berner Sennenhond en Flatcoated Retriever nog steeds degene die opvallen, terwijl de sterftecijfers voor de Pointer en Newfoundlander relatief laag zijn.

Al deze getallen in een grafiek gooien zoals we hierboven deden, laat je eenvoudig de rassen zien die hoog of laag op de schaal staan. Maar het laat niet de onderliggende en erg belangrijke relatie zien tussen kankersterftecijfer en grootte. Dit leidt tot twee interessante vragen-

1) waarom hebben grote dieren een hoger sterftecijfer ten gevolge van kanker, en

2) waarom hebben sommige rassen veel minder gevallen van kanker dan andere rassen van dezelfde grootte?

Tjonge, zouden we dat niet graag willen weten.

Dobson JM 2013 Breed-predispositions to cancer in pedigree dogs. Veterinary Sci 2013; doi 10.1155/2013/941275
Kimberly AG, LM Hughes, & MM Masternak. 2011. Connecting serum IGF-1, body size, and age in the domestic dog. AGE 33: 475-483.
Spichiger, AC, K Allenspach, Y Zbinden, MG Doherr, S Hiss, JW Blum, & SN Sauter. 2006. Plasma insulin-like growth factor-1 concentration in dogs with chronic enteropathies. Vet Med 51: 35-43.

 


12/9/2016
Door Dr. Carol Beuchat
Met toestemming vertaald door Briardinfo.nl en overgenomen van de website van het Institute of Canine Biology.

Het laatste decennium heeft er een grote verandering plaats gevonden in de wijze waarop we omgaan met genetische aandoeningen bij honden. Moderne gen technologie stelt ons nu in staat om enkelvoudige mutaties die specifieke aandoeningen veroorzaken relatief eenvoudig te identificeren. Er zijn DNA testen beschikbaar die toegevoegd worden aan de lijst van de routine van gezondheidsonderzoeken, die verantwoordelijke fokkers laten doen en de hond wordt “getest op gezondheid” verklaard.

Zoals ik elders al eens heb aangegeven, screenen DNA-testen op mutaties, niet op gezondheid. We weten met zekerheid dat er in elke hond en in elk ras veel meer mutaties aanwezig zijn, dan waar we nu vanaf weten, simpelweg omdat ze zich nog niet als ziekte in een hond hebben geopenbaard. Een hond kan redelijk gezond zijn, maar we kunnen zeker zijn dat het tientallen fouten in zijn genen draagt die onschadelijk zijn als enkelvoudige allelen, maar die als paar geërfd serieuze problemen kunnen geven.

Een heel interessant onlangs verschenen artikel, beargumenteert dat de “één gen, fenotype of ziekte concept”-benadering van onze genetische test programma's veel te simplistisch is.

In werkelijkheid, zien we dat een mutatie in een enkel gen, meerdere aandoeningen kan veroorzaken, niet alleen afhankelijk van omgevingsfactoren, maar ook van de “genetische omgeving”- de andere genen in dat individu.

Een ziekte veroorzakende mutatie zou alleen een probleem kunnen worden in een deel van de individuen die ook enkele andere regulerende genen draagt, genen die op elkaar inwerken zodat de expressie van een eigenschap verandert. We noemen dit “penetrantie”, wat eigenlijk een beleefde manier is om te zeggen dat een mutatie niet de enige reden is en we niet weten wat de andere milieu- of genetische factoren zijn die ook zouden kunnen meespelen.

De auteur pleit voor een verandering van perspectief welke fundamentele gevolgen heeft voor hoe we de genetische basis van ziektes in mensen en zeker ook in honden, benaderen. Onze benadering van genetische testen is gebaseerd op de veronderstelling dat we gezonde honden kunnen fokken door specifieke genen die deze veroorzaken, te elimineren, tenminste voor monogenetische aandoeningen. De auteur stelt een ander benadering voor.

“Critisch bekeken, zou het belangrijk kunnen zijn om het gebruik van deterministische begrippen te herevalueren, zoals de termen “oorzaken” of “opgelost”, aangezien zulke termen te simplistisch en onterecht stellen dat monogenetische aandoeningen penetrant zijn en minimaal variabel en dat allelen en Mendeliaanse loci niet kunnen worden beïnvloed door het omringend genoom” (Katsanis 2016)

Het ontwarren van complexe relaties die expressie van mutaties beïnvloeden waarvan gedacht werd dat ze Mendeliaans overerfbaar waren, gaat op zijn best moeilijk worden Er zijn verder problemen als blijkt dat gebrekkige testprotocols de bron blijken te zijn van dissonante uitkomsten, zoals we recentelijk hebben laten zien als de oorzaak voor de test voor de mutatie die geassocieerd wordt met degeneratieve myelopathie (Turba et al 2016). ( een primer* mismatch bleek de oorzaak van een incorrecte genotypering voor de SOD1 genen.)
(*Noot redactie Briardinfo.nl: Een primer is een klein stukje DNA of RNA dat gebruikt wordt als startpunt van de polymerasekettingreactie (een manier om uit zeer kleine hoeveelheden DNA specifiek één of meer gedeeltes te multipliceren tot er genoeg van is om het te analyseren). Er zijn steeds twee primers nodig, de forward en de reverse primer, één voor de coding-streng en één voor de template-streng.)

Het idee dat we de problemen van genetische aandoeningen bij honden kunnen oplossen, zelfs die veroorzaakt worden door simpele monogenetische mutaties, is misleidend. De gezondheidsstatus van een hond is niet de som van zijn gekende mutaties. Het fysiologische en biochemische proces achter elke eigenschap en functie zijn complex en de genen en andere factoren die hun expressie beïnvloeden des te meer.

Het selecteren in de fok tegen specifieke aandoeningen is niet de weg om gezonde honden te fokken. We moeten een groter, meer holistische kijk aannemen, erkennen dat we niet alles weten van de genetische en milieufactoren die op extreem complexe wijze op elkaar inwerken. Als we gezondheid nastreven, moeten we fokken voor de gezondheid van de hele hond.

Neem een paar minuten om dit uitdagende artikel te lezen (in het Engels). Het laat je misschien de weg zien naar echt gezonde honden op een totaal andere manier. Je kunt HIER een kopie downloaden.

Katsanis N. 2016. The continuum of causality in human genetic disorders. Genome Biology 17:233. DOI: 10.1186/s13059-016-1107-9

Turba ME, R Loechel, E Rombola, GGandini, & F Gentilini. 2016. Evidence of a genomic insertion in intron of SOD1 causing allelic drop-out during routine diagnostic testing for canine degenerative myelopathy. Anim Gen; doi: 10.1111/age.12525

 

 


Er kwam een vraag binnen, of er verschil is tussen recente inteelt en oude inteelt. 

Het antwoord: Recente inteelt en oude inteelt hebben inderdaad verschillende effecten. Recente inteelt heeft de neiging om in blokken van genen te verschijnen en dat die genen in blokken worden doorgegeven aan de nakomelingen. Hoe verder de inteelt toeneemt, hoe groter deze blokken worden. Dit heet "linkage disequilibrium", wat betekent dat twee merkers zich niet onafhankelijk van elkaar overerven. Grote blokken van genen maken het moeilijker voor een fokker om te selecteren voor bepaalde (gewenste) genen en tegen andere (ongewenste) genen, het wordt dus moeilijker eigenschappen te verbeteren.

Zoals je waarschijnlijk weet vindt er tijdens de meiose (wanneer eitjes en sperma worden gevormd) een uitwisseling plaats van DNA via "crossing-over". Dit splitst de blokken genen, dus oudere inteelt zit minder waarschijnlijk vast in een blok van genen die gezamenlijk zijn geërfd.

Hieronder staan drie panels van inteelt op de chromosomen, van één (links) tot 38 (rechts; je ziet de getallen boven elk panel staan). Er is één strip  voor elke 20 honden in een panel (zelfde honden in elk panel). Recente inteelt (ongeveer 6 generaties) staat in de bovenste panel. Oudere inteelt (50 generaties) in het midden en oude inteelt (>100 generaties onderaan).

 

error: Content is protected !!