Spring naar inhoud


Door Carol Beuchat PhD, met toestemming overgenomen en vertaald van de website van het ICB

Iedere rashondenfokker wil dat de honden blij en gezond zijn en lang leven. We willen bovendien hondenrassen beschermen en bewaren voor de volgende generaties, vanwege hun geweldige vermogen om voor ons te werken en natuurlijk voor hun gezelschap. Dit is de essentie van conservatie fokken.
Genetische aandoeningen zijn een groot probleem geworden onder rashonden. Honden leven niet zo lang, de vruchtbaarheid van veel rassen is afgenomen, er zijn meer problemen door enkelvoudige mutaties dan ooit tevoren en honden lijden in hogere mate aan kanker, epilepsie en andere complexe problemen dan in het verleden. Dit zijn zeer reële problemen en ze voeden de publieke opinie  dat rashonden ongezond zijn.
Om te begrijpen hoe dit probleem op te lossen, moeten we de oorzaak begrijpen. Laten we een fokexperiment in ons hoofd doen.
Begin met "perfecte" honden
We weten uit de genetica dat de gezondheid van een populatie dieren door de jaren heen afhankelijk is van de kwaliteit van de genenpool en hoe deze door de tijd heen verandert. Als voorbeeld beginnen we met een grote populatie van gezonde individuen van een hondenras. We maken “ideale” voorbeelden voor hun ras in termen van gezondheid, met alle noodzakelijke genen voor fysiologie, anatomie en gedrag (we zullen deze de “honden” genen noemen), als wel de genen voor alle andere eigenschappen die het type van het ras definiëren.
We hebben onze populatie van geweldige honden die genetisch perfect zijn uitgerust om precies te zijn wat wij willen, en we willen een duurzaam fokprogramma beginnen, één die niet alleen de hondenpopulatie voor onszelf behoudt, maar ook individuen die nieuwe populaties kunnen vestigen voor anderen die dit ras zouden willen hebben. Welke  zaken zouden we in overweging moeten nemen omtrent onze beslissingen hoe we moeten fokken om een volgende generatie honden voort te brengen?
Als eerste, als je geïnteresseerd bent in het behouden van type in je honden, wil je ze niet paren met de hond van de buren of met iets anders van dubieuze herkomst. Dit zou niet bij jouw doelen als fokker passen, welke het bewaren van gezondheid en type in jouw ras is. Je krijgt geen honden in de volgende generatie die op degene in de eerste generatie lijken als je cross-breeding toepast; dat is basis dierenfokkerij.
Oké, waarover moeten we nog meer nadenken in het proces om van generatie 1 naar 2 te komen, en van 2 naar 3, en verder?
Als we een populatie van honden hadden, met gezonde en perfecte voorbeelden voor het ras, en we willen dat kopiëren naar de volgende generatie, wat moeten we dan doen? We moeten kopieën maken van alle genen van de grondleggers (founders) van onze populatie, deze door elkaar mixen en ze samenpakken in de puppy’s die de volgende generatie gezonde honden worden.
En voor de volgende generatie? We moeten dan hetzelfde doen. Verzamel alle genen in die eerste generatie, kopieer elk afzonderlijk gen, mix ze goed door elkaar en verdeel ze over de puppy’s van de volgende generatie.
Natuurlijk, misschien willen we iets veranderen aan de honden – langere poten, of meer honden van een bepaalde kleur. We kunnen onze vaardigheden als fokker gebruiken om bij voorkeur honden te fokken met die eigenschappen die wij willen, gebruikmakend van de magie van selectieve fok. We maken meer kopieën van de genen die wij willen door meer honden met deze genen te gebruiken en dit verandert de mix van genen in de genenpool in de richting van honden met die eigenschappen die wij willen.
In een perfecte wereld, zouden we dit voor altijd kunnen blijven continueren.
Maar onze wereld is niet perfect. Niet elk gen in de huidige generatie zal in een nieuwe puppy terecht komen, hetzij doordat we hebben besloten om met sommige dieren niet te fokken (tijdens selectie voor langere poten, of wat dan ook), of simpel door kans. Na verloop van tijd, vormen selectie en ad random kans het karakter van de populatie, ze veranderen de frequentie van genen, beetje bij beetje elke generatie.
Als we zijn begonnen met founders met perfecte gezondheid, willen we zeker zijn dat alle essentiële genen voor gezondheid worden doorgegeven van de ene op de andere generatie zodat we gezonde honden kunnen blijven fokken. Maar wat gebeurt er als we een paar van deze genen verliezen, hetzij door selectie, hetzij door kans? De Dalmatiër bijvoorbeeld, verloor onwillekeurig een essentieel gen voor voor stikstof metabolisatie, met als resultaat dat de honden lijden aan de vorming van blaasstenen. Hoe hebben fokkers dit opgelost? Ze hebben het essentiële gen teruggebracht in de genenpool. Ze hebben dit gedaan door een Dalmatiër te kruisen met een ras van vergelijkbare structuur (de Pointer), selecteerden de nakomelingen die het essentiële gen, die identiek is in alle honden, geërfd hadden. Het was een briljante en simpele oplossing. Met elke terugfok in de raspopulatie, met selectie van de nakomelingen die het gen hadden geërfd, nam de frequentie van het nieuwe gen toe, de fractie van de Pointer genen in de genenpool namen evenredig af en in enkele generaties waren de honden genetisch pure Dalmatiërs.
We hebben nu technologie die ons misschien ooit in staat stelt om een enkel verloren gen te vervangen door iets wat CRISPR genoemd wordt. Maar het was eenvoudig te herstellen, niet met technologie, maar met slimme fok van een enkele kruising.
Terug naar ons hypothetische fokprogramma. Als we ad random (door kans), of bewust (door selectie) elke generatie genen verliezen, en alle genen in onze founders essentieel waren voor een bepaalde functie, dan kunnen we verwachten dat sommige dingen niet werken zoals ze zouden moeten. Deze defecte dingen worden genetische aandoeningen –allergieën, temperament problemen, lage vruchtbaarheid, kanker, nier ziekten, hartfalen en elke van een erg lange lijst met ziektes die bij honden voorkomen.
We begrijpen waarom dit gebeurt.
Als we beginnen met een populatie gezonde honden en we ze zo willen houden, is er één essentieel ding dat we moeten doen – verzeker je ervan dat elk enkel gen van de “honden”genen – die essentieel zijn om een gezonde hond te maken -  wordt doorgegeven aan de honden in de volgende generatie, generatie na generatie na generatie. Lummel maar aan met de genen voor type, zoveel je wilt, maar je moet die originele collectie van “honden”genen die essentieel zijn voor het maken van honden die gezond zijn en geschikt voor waar ze voor gefokt zijn beschermen.
Dit is de cruciale functie van conservatie fokken. Als we dit niet doen, maken we dingen stuk.
Realiteit
Om eerlijk te zijn – en realistisch – is het bijna onmogelijk om  alle genen van de ene naar de andere generatie te krijgen, zelfs als dat ons enige doel was als fokkers. Maar het gebeurt zeker niet als we fokken op een manier die garandeert dat er sommige genen verloren gaan en de twee manieren waarop dit kan gebeuren zijn simpel door kans (een onvermijdbaar deel van genetische overerving) en door selectie.  Honden waarmee gefokt wordt, geven slechts enkele van hun genen door en honden waarmee niet gefokt wordt, geen enkele.
Als we elk cruciaal “honden”gen die verloren is gegaan zouden vervangen zoals dat is gedaan bij de Dalmatiër, zouden we voor altijd een gezonde populatie rashonden kunnen blijven houden. Maar als die cruciale genen niet vervangen worden, zal op den duur de gezondheid en functie van onze honden verslechteren. We hadden dit kunnen verwachten; het is een onvermijdelijke consequentie van het met elke generatie verliezen van genen uit de genenpool.
Dit is waar we nu staan als rashondenliefhebbers. We hebben honden met geweldige genen voor type – de specifieke eigenschappen die elk ras uniek maken – maar we hebben allerlei problemen met functie, zelf tot op het punt waar fokken moeilijk is geworden in sommige rassen. We hopen dat we ermee kunnen omgaan door het identificeren van de cruciale genen die verloren zijn gegaan (door het zoeken naar de defecte genen die de plaats hebben ingenomen van de normale genen), en we spenderen miljoenen aan het bestuderen van ziekten die het resultaat zijn van het verlies van een bepaald cruciaal gen. Maar geen van deze inspanningen lost het probleem op, omdat we nog steeds de normale kopieën voor die cruciale genen missen.
Wat kunnen we anders doen om dit probleem van missende genen op te lossen? Waarom niet het meest voor de hand liggende? Waarom stoppen we deze genen niet terug en maken we meer kopieën van de honden die ze hebben? Voor sommige problemen, is het slechts een enkel gen, zoals bij de Dalmatiër. In andere gevallen, zijn het meerdere genen die samen verantwoordelijk zijn voor een belangrijke functie. Maar als we begrijpen dat elk gen in onze founders een essentiële rol speelde in het maken van een gezonde hond, zou het duidelijk moeten zijn dat de enige oplossing voor een probleem veroorzaakt door missende genen is om ze terug te halen. In feite, dit is de enige echte oplossing voor het probleem. Zonder het cruciale gen voor stikstof metabolisme, maakt de Dalmatiër blaasstenen – in feite, elke  hond die dat gen mist, zal blaasstenen produceren. Om dit probleem op te lossen, moet het normale gen terug gebracht worden in de genenpool.
Het belangrijkste onderdeel van conservatie fokken
Als je een duurzame fokpopulatie van rashonden wilt hebben, moet je voorkomen dat je de genen  die nodig zijn voor het functioneren,van de ene op de andere generatie verliest, of je moet de verloren genen vervangen. We kunnen het eerste niet doen als we selectieve fok toepassen (wat we natuurlijk doen), dus moeten we het probleem oplossen door vervanging. Om terug te gaan naar gezonde honden, moeten we de genenpool herstellen naar de genenpool die we nodig hebben voor gezondheid.
Als een cruciaal gen in een subpopulatie van een ras (b.v. de honden in de UK, of de showlijnen van de Retriever) verloren is gegaan, kan het teruggehaald worden door honden uit een andere lijn waar dit  gen nog aanwezig is, te gebruiken.  In feite, bestaan er fokstrategieën die het verlies van genen in een populatie in de loop der jaren, verminderen door voordeel te halen uit de mogelijkheid deze te herstellen met behulp van een andere populatie binnen het ras. Deze strategie wordt gebruikt door dierenfokkers die vele generaties binnen een bepaalde populatie dieren willen fokken. Het vereist enige bekwame populatie management en roulatie van honden onder verschillende populaties die onderhouden worden door inteelt. In feite, dit is hoe wilde dieren populaties in staat zijn voor te bestaan voor duizenden generaties. Individuen van de ene populatie migreren naar de andere, waarbij ze genen meebrengen die in de loop der tijd verloren zijn gegaan in hun nieuwe populatie. Als populaties dit niet kunnen, b.v. omdat ze geïsoleerd zijn op een eiland, verliezen ze uiteindelijk zoveel genen die noodzakelijk zijn om te functioneren, dat ze uitsterven.
Voor sommige hondenrassen, zijn er misschien cruciale genen verloren in de gehele genenpool, zoals het stikstof metabolisme gen  was bij de Dalmatiër. Om deze genen te vervangen, is een kruising met een ander ras die geselecteerd wordt om het specifieke genetische probleem aan te pakken, het meest efficiënt. Cross-breeding wordt routinematig gebruikt in de dierfokkerij om bepaalde eigenschappen te veranderen of om genetische gezondheid te herstellen als er verlies van genetische diversiteit is. Cross-breeding is gewoon één van de verschillende strategieën die fokkers kunnen gebruiken om hun specifieke doelen te bereiken. Inteelt, lijnteelt, outcrossing en crossbreeding worden allemaal strategisch gebruikt door fokkers om de genenpool “te vormen” zodat deze het beste dient als de genetische voorraadkast met ingrediënten die je gebruikt voor jouw fokprogramma.
Het geheim om gezonde dieren te fokken, generatie na generatie – niet alleen rashonden, maar dieren van elke soort – is om de genenpool te onderhouden, die alle genen bevat die nodig zijn voor gezondheid. Bescherm de genen die je hebt en vervang degene die verloren zijn gegaan en je kunt voor altijd gezonde honden fokken.


Door Carol Beuchat PhD, met toestemming vertaald en overgenomen van het Institute of Canine Biology
Wanneer we praten over de grootte van een populatie dieren, hebben we het meestal over dat wat we de “census”grootte noemen, welke het geheel aan levende dieren is. Als we ons echter bekommeren om genetica, zijn de enigste dieren die er echt toe doen, diegene die nakomelingen kunnen voortbrengen. Deze fokdieren zijn letterlijk de genetische kluis waarin de genenpool van de populatie is opgeslagen.
Het aantal fokdieren in een populatie kan diepgaande effecten hebben op populatie genetica. Laten we zeggen dat we een kudde van 10.000 antilopen hebben. Als een paar van deze dieren niet succesvol reproduceren, misschien omdat ze te oud waren of de nakomelingen werden opgegeten door wolven, zijn de consequenties voor de genetica van de populatie als geheel verwaarloosbaar omdat er zo’n groot aantal dieren is. Het verlies van een dier of twee hier en daar binnen een populatie van duizenden, reduceert niet het aantal potentiële voortplantingspartners en is onwaarschijnlijk dat dit resulteert in het verlies van de allerlaatste kopie van een bepaald allel in de populatie.
Maar wat als de kuddegrootte slechts 10 is? Dan reduceert het verlies van een enkel dier, de populatiegrootte met 10%, wat betekent dat er minder paar-opties zijn voor de volgende generatie en door de jaren heen zal het de inteeltgroei laten toenemen. Bovendien, het dier dat verloren is gegaan, zou de drager geweest kunnen zijn van de enige kopie van een zeldzaam allel welke nu voor altijd verloren is gegaan voor de populatie.
De grootte van de populatie fokdieren bepaalt 2 belangrijke dingen: de mate van inteelt en die van genetische drift. Je weet al van inteelt, dat is de homozygotie als resultaat van het paren van verwante dieren.
Genetische drift is de willekeurige variatie in allel frequenties van de ene op de andere generatie die voorkomt in populaties. Genetische drift is datgene wat veroorzaakt dat groepen dieren die gescheiden zijn van de belangrijkste populatie genetisch van elkaar afdrijven door de jaren heen. Drift kan resulteren in het verlies van allelen, enkel door kans, of het kan “fixatie” van een allel teweeg brengen, waarbij elk lid van de populatie homozygoot is voor dat allel.
Noot: we gaan nu een klein beetje wiskunde doen, het is ERG simpel. Lees mee en ik beloof dat het het waard is!

Genetische drift resulteert in het verlies van genetische diversiteit en vergroot de mate van inteelt over de jaren heen en de toename van beide processen is afhankelijk van populatiegrootte:

Toename (inteelt of genetische drift) = 1/(2Ne)
waarbij Ne de "effectieve populatiegrootte" is, welke we zo kort zullen definiëren.
Als voorbeeld, kijken we naar een populatie van 10 fokdieren, de toename van inteelt zal 1/(2 x 10) = 1/20 = 0.05 zijn. Als een percentage, zou dat 5% toename van homozygotie betekenen per generatie, welke erg hoog is. Wat als de populatiegrootte 100 is? Dan is de 1/(2 x 100) = 0.005, of 0.5% toename in homozygotie per generatie. Voor genetische diversiteit zijn deze calculaties hetzelfde en de waarde is de hoeveelheid genetische diversiteit (als een fractie of percentage) die verloren gaat per generatie.
Dus, de mate van inteelt en genetische drift per generatie nemen toe, als Ne kleiner wordt.
EFFECTIEVE POPULATIEGROOTTE
Als je groepen dieren beheert, wil je misschien begrijpen hoe de grootte van een bepaalde populatie genetica beïnvloedt. De eenvoudigste manier is om je voor te stellen dat je een “ideale” populatie hebt die voldoet aan een aantal criteria:
a) Het aantal mannelijke en vrouwelijke dieren is gelijk en ze kunnen allemaal reproduceren.
b) Alle dieren hebben dezelfde kans op het produceren van nakomelingen en het aantal van elk varieert niet meer dan verwacht op basis van kans.
c) Paren gebeurt willekeurig (herinner je Hardy-Weinberg?);
d) Het aantal fokdieren is gelijk van de ene op de andere generatie (dus de populatiegrootte is constant) en er is geen immigratie, emigratie, mutatie of selectie.
In een "ideale" populatie (degene die voldoet aan alle bovenstaande), is de census populatiegrootte en de effectieve populatiegrootte gelijk. Maar de meeste echte populaties  overtreden tenminste enkele van de criteria voor een ideale populatie (b.v. ongelijke sekse ratio’s, paren is niet willekeurig, etc.) en voor deze is de effectieve populatiegrootte kleiner dan de census grootte.
Als echte populaties zelden ideaal zijn, wat is dan het nut van zoiets als effectieve populatiegrootte? De genetica van ideale populaties is voorspelbaar. Als we onze kudde van 10.000 antilopen zouden kunnen beschrijven in termen van effectieve populatiegrootte, kunnen we voorspellen hoe het zich genetisch gedraagt. Hoe komen we van census grootte, Nc, bij Ne?
Er zijn verschillende manieren om de Ne voor een populatie te schatten, afhankelijk welke data beschikbaar is en het type schatting dat je probeert te doen.
Laten we eerst een formele definitie bepalen voor Ne:
Effectieve populatiegrootte is de grootte van een “ideale” populatie dieren met een zelfde mate van inteelt of verlies van genetische diversiteit door genetische drift als de echte populatie waarin we geïnteresseerd zijn.  
Effect van sekseverdeling op Ne
Er zijn verschillende manieren om Ne te berekenen. We zullen alleen kijken naar die gemakkelijk te gebruiken is voor fokkers. Eén van de dingen die de effectieve populatiegrootte beïnvloedt is de sekseverdeling van de fokdieren.
We kunnen Ne schatten, gebruikmakend van de informatie van een populatie census of stamboomdatabase betreffende het aantal mannelijke (Nm) en vrouwelijke dieren (Nf)  die in een generatie nakomelingen produceren
Ne = 4 x (Nm x Nf) / (Nm + Nf)
De noemer (getal onder de streep) van deze vergelijking is het aantal mannelijke plus het aantal vrouwelijke dieren (Nm + Nf), wat simpel het totale aantal fokdieren is. De teller (getal boven de streep) in deze equatie is vier keer het product van Nm en Nf (4 x (Nm x Nf)).
Een simpel voorbeeld
Laten we zeggen dat we een populatie van 10 dieren hebben, 5 mannetjes en 5 vrouwtjes. De effectieve populatiegrootte Ne zou dan zijn:
Ne = 4 x (5 x 5) / (5 + 5)
Ne = 4 x 25/10 = 10
Zie je dat? Als we een gelijk aantal mannelijke en vrouwelijke dieren hebben, is Ne gelijk aan de census grootte. Probeer zelf nog wat van deze berekeningen uit met andere populatiegroottes, maar telkens met gelijke aantallen mannelijke en vrouwelijke dieren.
Zoals je weet, is het aantal mannelijke en vrouwelijke fokdieren in rashonden populaties zelden gelijk , waarbij het aantal teven doorgaans groter is aangezien reuen meerdere teven kunnen dekken. Wat gebeurt er met de effectieve populatiegrootte wanneer de sekseverdeling van fokdieren niet gelijk is?
Een extreem voorbeeld
Laten we ter zake komen en gewoon een waanzinnige populatie creëren met 1000 vrouwelijke dieren en slechts 1 mannelijk dier. De berekening hiervoor is dan
Ne = 4 x (1000 x 1) / (1000 + 1) = 4 x 1000/1001 = 3.996, of nagenoeg = 4.
Wauw. We hebben 1,001 dieren, maar de effectieve populatiegrootte is VIER
We hadden een kudde van 1000 dieren en omdat we slechts één mannelijk dier voor het fokken hebben gebruikt, zal onze populatie zich genetisch gedragen ALSOF het een populatie is van slechts 4 dieren, twee mannelijke dieren en twee vrouwelijke.
Wat als er 1000 mannelijke dieren zijn en slecht één vrouwelijke? Afgezien van de aparte logistiek, is het resultaat in termen van genetica hetzelfde. De Ne zal wederom ongeveer 4 zijn.
Zoals je kunt zien, heeft een onbalans in het aantal mannelijke en vrouwelijke fokdieren, effect op de schatting van Ne. Hoe groot dit effect is, hangt af van de populatiegrootte en de sekseverdeling.
Laten we naar deze grafiek kijken, voor een populatie van totaal 1000 dieren. Het aantal vrouwelijke dieren (Nf) staat op de x-as en het aantal mannelijke dieren wordt niet weergegeven maar afgeleid door aftrekken (Nm = 1000 - Nf). Als het aantal vrouwtje en mannetjes gelijk is (b.v. Nf = Nm = 500), is de effectieve populatiegrootte (Ne) gelijk aan 1000, dus dan is Ne gelijk aan de census populatiegrootte.

​Als het aantal vrouwtjes (Nf) 800 is (en dus het aantal mannetjes (Nm) 200 is), is de resulterende populatiegrootte vanuit de grafiek ongeveer 650. Als het aantal fok mannetjes wordt verkleind naar 100, zal Nf gelijk zijn aan 900 en is de Ne ongeveer 350. De curve is symmetrisch: je kunt dezelfde voorbeelden doen met kleine Nf en grote Nm en het resultaat voor Ne is hetzelfde.
Wat je hier kunt zien is dat wanneer de sekseverdeling van fokdieren niet 1:1 is, de Ne verminderd is, wat betekent dat de inteelttoename en genetische drift gelijk zullen zijn aan wat je zou kunnen verwachten voor wat je verwacht voor een kleinere populatie. Verder, hoe extremer de verdeling, hoe groter het effect op de genetica van een populatie.
Ik ben er zeker van dat je het probleem hier ziet. Inteelt en verlies van genetische diversiteit resulteren in een toename van inteelt depressie en de expressie van recessieve mutaties. De nestgrootte neemt af, puppysterfte neemt toe, de levensverwachting wordt verkort en ongezonde dieren worden verwijderd uit de fokpopulatie. Het verminderen van het aantal fokdieren veroorzaakt een toename van inteelt en genetische drift, waardoor inteelt depressie en de expressie van genetische aandoeningen toeneemt, wat weer resulteert in   een kleiner aantal geschikte   fokdieren…… en je ziet waar dit heen gaat. Dit fenomeen wordt “extinction vortex” genoemd.
Je kunt ook zien hoe hoe het toestaan van slechts enkele mannelijke fokdieren (of een populaire dekreu) de genenpool beïnvloedt. Terwijl fokkers denken dat ze de genetische gezondheid verbeteren door alleen de allerbeste honden als dekreu te gebruiken, is het resultaat dat inteelt en verlies van genetische diversiteit beide toenemen en je uiteindelijk belandt in de extinction vortex.
Er zitten consequenties aan castratie/sterilisatie beleid en fokcontracten. Het verwijderen van dieren uit de fokpopulatie maakt het moeilijker voor fokkers om de toename van inteelt te managen en meer genetische drift resulteert in genetische instabiliteit met grotere fluctuaties in allelfrequenties en een groter risico op uitsterven.

Dit vraagt om een zorgvuldige overweging als informatie van DNA eigenschappen en mutatie testen en genotypering (b.v. MyDogDNA, UC Davis diversity test) gebruikt wordt voor het maken van beslissingen in de fok. Fokkers zijn in staat fok beslissingen te verbeteren door zorgvuldige selectie van fokparen met gebruik van DNA informatie, maar als de sekseverdeling van fokdieren zeer in onbalans is of de grootte van de fokpopulatie te klein, zullen inteelt en verlies aan genetische diversiteit in tegengestelde richting werken en de gezondheid van de genenpool in gevaar brengen. Genotypering kan helpen om de kwaliteit van het volgende nest te verbeteren, maar het reduceren van de incidentie van genetische aandoeningen in een ras vergt passend genetisch beheer van de gehele populatie, gebruikmakend van fokstrategieën die de inteeltgroei en verlies van genetische diversiteit beperken. In feite, als fokkers geen oog houden voor het grotere plaatje, kunnen deze testen zelfs veroorzaken dat fokkers nog selectiever zijn in hun keuzes, met schadelijke langetermijngevolgen. Dit is in feite wat is gebeurt toen genomisch testen voor het eerst werd geïntroduceerd in de veeteelt. Het selecteren van alleen de beste dieren voor de fok op basis van DNA versnelde de inteelttoename en het verlies van genetische diversiteit, korte termijn winst maar schadelijk voor de genenpool. ER is geen wondermiddel die alle problemen zal oplossen. Genetisch management op ras-niveau is essentieel om de genenpool op de lange duur gezond te houden.
Fokkers zouden de effectieve populatiegrootte van hun ras moeten kennen en ze zouden moeten begrijpen wat zij kunnen doe nom deze te vergroten. Een grotere Ne verbetert de genetische stabiliteit en de gezondheid van de genenpool; een kleinere Ne resulteert in onvoorspelbare variatie in allel frequenties, verlies of fixatie van sommige allelen en een toename in het risico op uitsterven.


Om genetische diversiteit in een populatie te bewaren kan het gebruik van verwantschapscoëfficiënten (K, kinship) en de gemiddelde verwantschap binnen een populatie (MK, mean kinship) een effectieve en duurzame werkwijze zijn.

Voor de, ons op dit moment bekende, voor de fok beschikbare Nederlandse Briards hebben we hun onderlinge verwantschapscoëfficiënten berekend en daaruit de MK. Dit getabelleerd: mk2018-sheet en op volgorde van de hoogte van de MK in een grafiek gezet:

De gemiddelde MK van deze populatie Briards is 22%. De honden die minder verwant zijn dan het gemiddelde, zijn -gelet op genetische diversiteit- het meest waardevol om in te zetten voor de fok.

Wil je meer lezen over Kinship en Mean Kinship? Lees dan de blogs van Carol Beuchat (deel 1, deel 2, deel 3, deel 4)

error: Content is protected !!