Spring naar inhoud

Steeds meer fokkers laten hun hond testen bij Embark. Indien er voor hun ras alleen een database beschikbaar is voor inteelt berekeningen over een beperkt aantal generaties, of het ras nog betrekkelijk jong is, zijn er velen -negatief- verrast over de hoge inteelt coëfficiënt in de resultaten van hun hond. Hoewel de COI op basis van DNA ook een schatting blijft, is deze wel nauwkeuriger dan berekeningen op basis van stamboomgegevens. Deze geldt momenteel als gouden standaard voor het berekenen van inteelt. Hoe wordt de inteelt nu eigenlijk berekend via DNA? In dit artikel proberen we dit zo eenvoudig mogelijk uit te leggen.

Zoals we weten leidt inteelt tot homozygositie, veel identieke kopieën van een gen in een chromosomenpaar. De homozygositie door inteelt is niet willekeurig verspreid over de chromosomen. Selectie, zowel natuurlijke als kunstmatige, zorgen voor “hot spots” van homozygositie in gebieden van het chromosoom.

Het genoom van de hond, de complete verzameling erfelijk materiaal, is voor een groot gedeelte gelijk aan veel andere zoogdieren. Zo is 85% van het DNA van ons mensen gelijk aan die van honden. De wolf en hond, beiden dezelfde soort, hebben 99,96 % overeenkomst in hun DNA Het aandeel genen dat zorgt voor de verschillen tussen hondenrassen is nog kleiner. En je zult begrijpen dat de verschillen tussen individuen binnen een ras nóg veel kleiner zijn.

Een single nucleotide polymorphism (SNP, uitgesproken als “snip”) is een locus, de vaste plek waar een gen zich op een chromosoom bevindt, van een enkel basenpaar, waarop in minstens 1% van de populatie een variatie wordt gevonden. SNP’s worden o.a. gebruikt als genetische markers. Deze vormen voor elk individu een uniek patroon en de patronen van familieleden lijken op elkaar.

Door het gehele genoom te scannen op deze homozygote markers, zie je blokken van opeenvolgende homozygote loci. Boven een bepaalde lengte, zijn deze blokken altijd een representatie van "identiek-door-afstamming" (inteelt). Vandaaruit is het eenvoudig om de inteeltcoëfficiënt te berekenen. Hoe meer ingeteeld een hond is, hoe langer deze blokken zijn.

Deze blokken van homozygote markers worden in het Engels Runs of Homozygosity genoemd, afgekort ROH.

Er bestaan verschillende protocollen voor het identificeren van ROH’s. Bijvoorbeeld de minimumlengte van het blok voor het tot een ROH wordt gerekend kan variëren, het aantal SNP’s dat heterozygoot mag zijn binnen een ROH, etc. Embark gebruikt ongeveer 1 Mbp (dat zijn 1.000.000 basepairs) als de minimum lengte en gaat daarmee terug tot aan de grondlegging van elk ras. Voor elk basepair wordt aangegeven wat het paar nucleotides is (dat is A, C, T of G). Het is daarmee dus gemakkelijk om te bepalen of een SNP heterozygoot is (bv CG) of homozygoot (bv GG).

Met deze informatie weten we nu hoeveel homozygositie er is in de bemonsterde SNP’s en ook precies waar op een specifiek chromosoom. We kunnen daarmee een kaart (een zogenaamde heat map) van de locaties van homozygositie maken.

Bij Embark geven ze deze kaart basaal weer het profiel van je hond onder health> inbreeding and diversity. De gekleurde blokken zijn de ROH. De software die deze blokken identificeert telt de lengte van elk blok bij elkaar op en geeft het aantal aan op elk chromosoom. De inteelt wordt berekend als de totale lengte van de ROH gedeeld door de totale lengte van het chromosoom, in dit geval 26%

Hieronder de ROH (in blauw) voor enkele Berner Sennenhonden (elke rij stelt 1 hond voor) bij respectievelijke lengtes van 5000Kb , 1000Kb en 70Kb (1Kb =1000 base pairs).

Ter vergelijking de ROH van "village dogs" in Namibië:

Inteelt zorgt over de generaties heen voor steeds grotere blokken homozygositie. Maar in elke generatie is er in een stadium in de formatie van de eitjes en het sperma, genoemd meiose, waarin het DNA wordt geherrangschikt doormiddel van crossing-over. Als dit gebeurt in een gebied van homozygositie, worden de blokken opgebroken in kleinere stukken.

Picture

Na veel generaties en veel van deze crossovers, worden lange blokken korter. Hierdoor reflecteren lange blokken de meer recente inteelt. We kunnen hiervan gebruik maken om te weten wanneer inteelt plaatsvond door de chromosomen te scannen op ROH van verschillende lengtes.

​Hieronder staat een voorbeeld van drie scans van dezelfde hond. Deze is gescand op drie verschillende bloklengtes, kort (70kb; bovenaan), medium (1000 kb in het midden) en lang (5000 kb onderste rij).

in de onderste rij bij ROH van 5000kb zie je twee gebieden waar de blokken langer zijn op chromosoom 5 en 7. Dit zou de meer recente inteelt moeten voorstellen.

De bovenste rij van ROH van langer dan 70kb laat de erg lange blokken zien, je ziet hier dus ook de blokken van de onderste rij. Maar de korte scans laten zien dat er veel gebieden zijn met kortere ROH die de ontstane inteelt over honderden generaties laat zien die door crossing-over in kleinere blokken is opgedeeld. Deze historische inteelt, kan zelfs van voor het ontstaan van het ras zijn.

Het mooie aan dit alles -en waar Embark ook in voorziet, is dat als een fokker wil weten wat de gemiddelde inteeltcoëfficiënt voor een nest uit een bepaalde combinatie is, deze aan de hand van de beide ouderdieren hun ROH-heatmaps met elkaar te vergelijken, te bepalen is. Dit werkt natuurlijk alleen als beide dieren getest zijn. Voor verschillende rassen, met veel geteste honden, kun je dit al zelf op de website laten berekenen. Voor veel andere rassen, kan dit op aanvraag. Een mooie aanvulling op de stamboomdatabase!

We schreven al eerder over de recente ontdekkingen omtrent genen die verantwoordelijk zijn voor de intensiteit van het pheomelanine (verantwoordelijk voor de rode pigmenten in het haar) en dat het niet door een enkele "I locus” wordt bepaald (zie de artikelen Vijftig tinten fauve  en  Nieuwe pigment intensiteit ontdekt). Het is een fenotype die door minstens vijf verschillend loci wordt bepaald, hoewel sommige meer invloed hebben dan andere in specifieke rassen.

Embark biedt sinds kort de bepaling voor deze vijf bekende “intensiteit loci” aan, die voor meer dan 70% de variatie bepalen van het fenotype. Inmiddels zijn ook de meeste oudere profielen van honden die al eerder een Embark test deden, aangevuld met deze resultaten. Aangezien het een complexe genetische eigenschap is, kan meer onderzoek in de toekomst resulteren in veranderingen in de test.

De Embarkt-test omvat zowel de test voor MFSD12 , een causale variant test (het gen zelf draagt bij aan rood pigmentatie), als wel de KITLG-test, een associatie test (het gen zelf is niet verantwoordelijk voor rood pigmentatie, maar wordt er wel mee geassocieerd). De causale varianten van de andere drie loci zijn nog onbekend, maar de geteste markers zijn significant geassocieerd met de eigenschap.

Binnenkort verschijnt het peer-reviewed artikel van de leden van het Embark’s Discovery Team met aanvullende informatie over welke genetische varianten exact zijn gebruikt voor de drie nieuwe geassocieerde regio’s die gebruikt worden in de Embark-test. De link naar dat artikel zullen wij t.z.t. hier plaatsen.

Aan de hand van een rekenkundig model, waarbij men b.v. ook rekening houdt met dat bepaalde genen meer invloed hebben dan andere, bepaalt men de intensiteit als Dilute red pigmentation (wit, crème), Intermediate red pigmentation (geel, tan) of Intense red pigmentation (diep rood).

De meeste fauve Briards die tot nu toe bij Embark getest werden, hebben Intermediate red pigmentation, hoewel de subloci wel verschillende resultaten geven:

Interessant om nog te noemen is dat, hoewel er enig bewijs is dat de D locus het pheomelanine tot bepaalde hoogte kan beïnvloeden in bepaalde rassen, heeft het Embark team geen significant effect gezien op de pheomelanine intensiteit door het B of D locus.

Een laatste noot, die gelukkig ook door Embark op haar site wordt beschreven; Wij raden het niet aan om alleen op basis van kleur te fokken, aangezien dit bij herhaling, al snel verlies van genetische diversiteit geeft, wat kan lijden tot een grotere prevalentie van gezondheidsproblemen.

Allereerst een overzicht van de (stamboom)nestjes met de berekende COI op basis van de gegevens zoals voorhanden in onze database voor respectievelijk het nest, de vader, moeder, het gemiddelde van de ouders en de daaruit voortvloeiende toe- of afname van de inteelt (∆F).

Hier ook nog een overzicht aangevuld met de AVK en het aantal unieke voorouders op 10 generaties (2046 mogelijke voorouders indien er alleen niet-verwante honden zouden zijn gepaard).

Hierna is nog de onderlinge kinship (k) tussen alle ouderdieren die dit jaar voor de fok zijn ingezet berekend en in schema gezet. Mean Kinship is een prachtige tool om genetische diversiteit (of een gebrek daaraan) binnen een populatie weer te geven en die ouderdieren te vinden die belangrijk zijn voor het behouden van zoveel mogelijk genetische diversiteit en in een handige oogopslag een juiste partner voor je hond te vinden qua genetische diversiteit. Hiervoor zou je ALLE fokdieren in een populatie in schema moeten zetten en zoals je zult begrijpen veranderen de getallen zodra er een hond in of uit de fok gaat. en heb je hier specialistische software voor nodig. Het Nederlandse bedrijf Dogs Global van dr. Pieter Oliehoek (www.dogsglobal.com) doet hierin prachtig werk voor al een aantal rassen. Onderstaande tabel geeft dus slechts een beperkte indicatie! De getallen zijn in deze afbeelding slecht te lezen, maar de kleuren zeggen genoeg: De gemiddelde k (de inteeltcoëfficiënt van een -fictieve- nakomeling van twee ouderdieren) tussen de gebruikte dieren is 22,96%, de rode blokken geven een k weer die hoger is dan deze MK, de groene blokken geven een k weer die lager is dan 20,66% (90% van de MK) en oranje zit tussen de 20,66-22,96.

Op basis van een op DNA geschatte COI, zullen deze cijfers hoogstwaarschijnlijk alleen maar hoger liggen. Hieronder zie je een overzicht van bij Embark geteste Briards, de COI van 26 % is van een Briard die op papier 22,71% scoort.

Fine-Scale Resolution of Runs of Homozygosity Reveal Patterns of Inbreeding and Substantial Overlap with Recessive Disease Genotypes in Domestic Dogs, Aaron J Sams, Adam R Boyko, 2019
Body size, inbreeding, and lifespan in domestic dogs, Jennifer Yordy, C Kraus, Adam R Boyko, 2019

 

Regelmatig verschijnen er op Facebook berichten met röntgenfoto's zoals hieronder, van de botten en gewrichten van jonge puppy's. Erg interessant om te zien natuurlijk, en de waarschuwing dat men voorzichtig moet omspringen met een zich ontwikkelend jong dier is belangrijk, maar jammer genoeg is een begeleidende tekst als "gewrichten bestaan nog volledig uit spieren, pezen en ligamenten bedekt met huid" incorrect. Dat iemand die geen basiskennis heeft van botgroei, dat bij het zien van deze röntgenfoto's denkt, is natuurlijk niet zo vreemd, maar erg jammer dat deze desinformatie zo verder wordt verspreid. In dit artikel proberen we kort uit te leggen hoe het dan wel zit.

 Bij een puppy bestaan de meeste botten nog voornamelijk uit kraakbeen. Kraakbeen is zachter dan bot. Bovendien is het buigzaam, net als het kraakbeen in b.v. de oren van een volwassen hond (of die van jezelf). 

Aan de uiteinden van de meeste botten zit een schijfvormig stukje kraakbeen. Dit zijn de groeischijven. De groeischijven blijven tot ze verbenen aan het einde van de groei,  bestaan uit kraakbeen. In de groeischijven vindt de lengtegroei plaats.

In de groeischijf wordt nieuw kraakbeen gevormd. De kraakbeencellen delen zichzelf: daardoor vindt dus groei plaats. De nieuwe kraakbeencellen duwen de uiteinden van het bot naar buiten. Het bot wordt aan de uiteinden dus steeds langer.

De kraakbeencellen maken ook een vezelige stof aan die matrix wordt genoemd. Deze stof is belangrijk voor de opbouw van het bot. Na een aantal celdelingen veranderen de kraakbeencellen in uitgerijpte kraakbeencellen. Deze uitgerijpte kraakbeencellen kunnen niet meer delen maar wel veel matrix maken. Na een tijdje verdwijnen die uitgerijpte kraakbeencellen en ontstaat er op die plek botweefsel. Daardoor schuift de groeischijf mee met het uiteinde van het bot, steeds verder weg van het midden van het bot.

Kraakbeen (cartilage in Engels) zie je niet op foto's, maar wel op MRI's, en dan zie je dat een puppy gewoon compleet wordt geboren en niet bestaat uit een pakketje losse botjes die bij elkaar wordt gehouden door spieren, pezen en ligamenten. Hieronder zie je een MRI van het heupgewricht van een puppy van één dag jong. 

Op onderstaande afbeelding zie je tekeningen van de ontwikkeling van het heupgewricht. Het grijs is het kraakbeen (wat je dus niet ziet op röntgenfoto's).

Waarom is dit belangrijk om te weten? Hoewel kraakbeen heel flexibel is, is het ook kwetsbaar voor vervorming door krachten van buitenaf (belasting, voeding, etc.). Ik vergelijk het zelf altijd met een emmer, die zijn best flexibel, maar als je er maar lang genoeg op gaat staan, of er misschien eens flink op gaat springen, vervormt die, zakt in, etc. en als je dat dan terugvertaalt naar vervormd kraakbeen welke vervolgens ossificeert (bot wordt) is het beeld vast duidelijk.

Hoe lang een bot doorgroeit verschilt niet alleen per bot, maar b.v. ook per ras. Veralgemeniserend kun je zeggen dat voor een ras als de Briard de snelle groeiperiode de eerste 18 weken behelst en de complete botgroei voltooid is tussen de 11 en 18 maanden.

 


Er is net een nieuw onderzoek gepubliceerd:
Pigment Intensity in Dogs is Associated with a Copy Number Variant Upstream of KITLG
https://www.mdpi.com/2073-4425/11/1/75
Je kunt vanaf die pagina gratis een kopie in PDF formaat downloaden.

Afbeelding uit het onderzoek

Overzicht:
* Vorig jaar werd een mutatie van het MFSD12 gen gevonden, die verantwoordelijk is voor lichter pheaomelanine bij bepaalde rassen. Hiervoor is inmiddels een test beschikbaar en staat bekend onder de intensiteit locus, I locus of rood dilute 1.
Het wetenschappelijke artikel daarover kun je hier vinden: https://www.mdpi.com/2073-4425/10/5/386/htm
Info op onze website daarover vind je hier: https://www.briardinfo.nl/briard/vijftig-tinten-fauve/
* De nieuwe studie (door UC Davids) ontdekte een variant in de buurt van het KITLG gen, welke verantwoordelijk is voor donkerder pheaomelanine, maar ook zichtbaar lichter vs donkerder eumelanine.
*De locus in kwestie is een copy number variant (CNV). Dat betekent dat een bepaald stuk van het DNA wordt herhaald bij sommige honden -en het aantal van die herhalingen varieert. In grote lijn betekent dat hoe meer kopieën van die reeks, hoe intenser gepigmenteerd de vacht. Een ander kleur allel waarbij CNV’s betrokken zijn is overigens KB. Deze komt ook voor in verschillende aantallen kopieën.

Haar pigmentatie:
* Haar met meer intense pigmentatie (hoger aantal kopieën) is meer uniform gekleurd, terwijl haar met minder intense pigmentatie (lager aantal kopieën), lichter aan de wortels is en donkere punten heeft.
Effect op phaeomelanine bij verschillende rassen:
* Alleen honden met het wild type voor de I locus werden gebruikt voor de evaluatie van de nieuwe variant.
* Het onderzoek begon met de Nova Scotia Duck Tolling Retrievers, waarbij donker en licht rode exemplaren geëvalueerd werden. De donker rode honden hadden een hoger aantal kopieën (~5) dan de licht rode honden (~2)
* Andere donker rode rassen hadden hoge aantal kopieën: Ierse Setter ~8, Epagneul Breton ~7.
* e/e Poedels: rode Poedels: ~8 , crème Poedels: ~3 copies.
*Phaeomelanine intensiteit in Labrador en Golden Retrievers kon niet worden verklaard door de I locus oof door het KITLG kopie aantal variant .
*Dit betekent dat er meer loci moeten zijn die (phaeomelanine) intensiteit beïnvloeden.

Effect op eumelanine bij verschillende rassen:
*Het is erg verrassend dat deze zelfde locus ook het eumelanine beïnvloedt, m.n. greying/silvering, aangezien we aannamen dat dit alleen veroorzaakt werd door een variant welke door bearded rassen getoond werd.
*Poedels: Zwart: ~6 kopieën, zilver: ~2
* Licht zwart: Bearded Collie: ~4, Old English Sheepdog: ~2
* Donker zwart: Border Collie: ~4 (past niet in het patroon), Flat Coated Retriever: ~7, Rottweiler: ~7
*De schrijvers gaan uit van de hypothese dat haarlengte/ vacht type iets te maken heeft met het uiteindelijke fenotype

Pleiotrope effecten / neveneffecten:
*KITLG is belangrijk voor een verschillende ontwikkelingsprocessen, maar het is waarschijnlijk dat deze varianten alleen kleur beïnvloeden.
* Deze CNV wordt geassocieerd met gevoeligheid voor teenkanker bij honden. Honden met meer dan 4 kopieën en die homozygoot zijn voor een hoog aantal kopieën hebben een groter risico. Niet alle honden met deze risico factoren worden ziek, dus er lijken meer invloeden bij deze kanker mee te spelen.

* Er zijn nog vragen die beantwoord moeten worden voordat er een commerciële test beschikbaar komt.


Door Carol Beuchat PhD
Met toestemming vertaald en overgenomen van de website van het Institute of Canine biology
Een instabiel gewricht (onvoldoende aansluiting) is de belangrijkste riscio factor voor de ontwikkeling van heup dysplasie. Gewrichtsslapte is het resultaat van stress op het ligament dat in het gewricht ligt, het teres ligament, dat de kop van de femur verbindt met de heupkom.
Als het teres ligament beschadigd is, wordt de ronde kop van de femur niet nauwsluitend in de kom van het heupgewricht gehouden. Omdat de normale ontwikkeling van de heup een reactie is op de biomechanische krachten op de kom gedurende de groeiperiode van de puppy, kan een abnormale positie van de kop resulteren in schade van de rand van de heupkom en daarmee de ontwikkeling van heup dysplasie. Een goede ontwikkeling van het heup gewricht hangt in essentie af van dat de kop van femur goed in het midden van de heupkom zit. (Je kunt hier meer over lezen in “de 10 meest belangrijke dingen die je moet weten over heupdysplasie bij honden").

Het teres ligament zit aan de ene kant vast aan de kop van de femur en aan de andere kant aan de heupkom.
Hoe wordt de teres ligament beschadigd? Kennis die voorhanden is over de oorzaak van heup dysplasie bij mensen kan dit verduidelijken. ​De heupkommen van honden en mensen zijn vrijwel gelijk. De kop van de femur wordt stevig vastgehouden in de heupkom door spieren en pezen. Deze zijn zo strak en het teres ligament zo kort dat bij de geboorte, de benen uit elkaar en licht gebogen worden gehouden. Als de benen bij elkaar worden gehouden, wordt de kop van de femur van de heupkom weg getrokken, zoals je kunt zien in de afbeelding hieronder. Dit zet abnormale kracht (stress) op het teres ligament en kan resulteren in schade welke weer kan resulteren in gewrichtsslapte van het heupgewricht.

De bewegingen van de benen die stress op het teres ligament zetten, worden adductie en extensie genoemd – het strekken van de benen en ze bij elkaar brengen. Dit is de reden waarom heup dysplasie meer voorkomt in culturen waar baby’s strak ingebakerd worden, dan waar men kinderen op de rug draagt met de benen rond het middel van moeder. Met deze kennis, worden nieuwe moeders geadviseerd om pasgeborenen niet als een burrito in te bakeren maar losser met ruimte voor het spreiden van benen en het buigen van de knieën.

 

Waarom doet dit ertoe bij honden?

De heupen van pasgeboren puppy’s zijn gelijk aan die van mensen. Het heupgewricht is bij de geboorte voornamelijk kraakbeen, welke in bot wordt omgezet gedurende de eerste 5 maanden groei. Bij de geboorte, is het teres ligament erg kort en sterk en het wordt langer als de puppy groeit, zodat er meer vrijheid voor het gewricht is om te bewegen. Net als mensen, zal een pasgeboren puppy die op zijn rug ligt, de poten uit elkaar en gebogen houden.
Echter, als een pasgeboren puppy op een ondergrond wordt geplaatst met onvoldoende grip, glijden zijn voeten onder hem weg, net als die van jou zouden doen als je op ijs zou lopen met gewone schoenen. In het geval van de puppy, probeert deze te lopen door het achterwaarts duwen met de achterpoten en als er onvoldoende grip is op de ondergrond, strekken de benen en zelfs de voeten tot het maximale. Je zult dit zien als je naar puppy’s in de werpkist kijkt en je de voetzooltjes van de achterpoten naar de lucht wijzen i.p.v. naar de vloer. Een pup (en jijzelf) bewegen voorwaarts door achterwaarts te duwen. Als er onvoldoende grip is, zullen de benen uitstrekken en adduceren, exact de positie waarin schade optreedt aan het teres ligament bij mensenbaby’s.
De meeste mensen die ik het vraag, antwoorden dat ze hun puppy’s op materiaal met goede grip hebben in de werpkist. Vetbed, rubber matten, vloerbedekking, puppy-pads en vele andere dingen worden regelmatig gebruikt in de werpkist. Ik heb ze allemaal getest, en meer, en geen van allen gaf voldoende grip voor elk ras dat ik heb getest gedurende de eerste weken van opgroeien.
Hoe ik de grip heb beoordeeld? Ik heb naar extensie en adductie van de achterpoten gekeken. Als ik de voetzolen naar de lucht zag wijzen, werd de mat afgekeurd
Om eerlijk te zijn, vond ik één mat die voldoende grip gaf. Deze was gemaakt van kokos vezels die recht naar boven staken als borstelharen. Het gaf geweldige grip, maar het schaafde ook de delicate huid van de pasgeboren puppy’s voetzolen. Dat was uiteraard ook een mislukking.
Hieronder staan wat voorbeelden van wat ik observeerde tijdens het kijken naar puppy’s en als je even zoekt, zijn er vele gelijke voorbeelden te vinden in de massa’s aan puppy video’s op YouTube (zoek op "newborn puppies nursing or crawling”).

 

Om er zeker van te zijn dat dit duidelijk is, kijk eens naar deze video. Dit is een Mopshond. De Mopshond is een zware hond voor zijn formaat en hebben ook zware puppy’s. Mopshonden staan op nummer 2 van de hondenrassen in de OFA (Orthopedic Foundation for Animals) lijst met heup dysplasie frequenties.
De tranen zouden in je ogen moeten springen bij het zien van deze video. Deze “schattige” puppy is niet aan het leren kruipen. Het is zijn heupen aan het ruïneren omdat er geen enkele grip is en het voegt zich bij de vele andere honden die lijden aan heup dysplasie (en hoe zit het met die ellebogen??!!!)

Als je goed hebt opgelet, vraag je je waarschijnlijk af of je eigen puppy’s ooit met de voetzooltjes naar boven gericht liggen. Om je wat oefening te geven in het opmerken van extensie-adductie van de achterpoten (voor je weg sprint om naar je foto’s te kijken!), bekijk eens deze erg actieve puppy’s. Op het eerste oog, lijkt het alsof ze aardig goed rond kunnen bewegen, maar kijk eens goed; deze puppy’s op deze ondergrond zouden de “grip-test” niet doorstaan.
Kijk aandachtig! (Geef het een paar seconden om te laden, als de video schokkerig lijkt.)

 

Ik heb honderden nesten geobserveerd op allerlei ondergronden en tot nu toe is de ENIGE ondergrond die voldoende grip gaf voor alle puppy’s (dat is de achterpoten werden nooit volledig gestrekt en recht) was de kokos vezel mat die de huid van de zolen af kon schaven. Dit zijn matten die je in grote hotels ziet in gebieden waar het sneeuwt, zodat je met de haren de sneeuw aan de onderkant van je schoenen kunt vegen. Deze zijn ontworpen om ruw te zijn.
Nu, dit leidt tot de logische vraag. Is heup dysplasie het resultaat van inadequate grip in de werpkist voor pasgeboren puppy’s ? Als dat zo is, kunnen we heup dysplasie nu elimineren, simpel door goede grip te geven die uitglijden voorkomt. Het klinkt ongeloofwaardig, maar als we in 60 jaar strenge selectie nog steeds heup dysplasie niet hebben kunnen elimineren, is het waard een nieuwe verklaring te onthalen.
Ik heb de afgelopen jaren aan de oplossing voor dit probleem gewerkt. Eindelijk, na veel gedoe en gepruts, met een variatie aan types ondergronden, heb ik er eindelijk één die wegglijden zou moeten voorkomen en daarmee schade aan het teres ligament wat kan resulteren in heupdysplasie. Ik werk momenteel aan het testen van deze ondergrond bij verschillende nesten van een variatie aan rassen en tot zover werkt het goed. Ik moet naar veel meer rassen kijken en de puppy’s de eerste weken als hun gewicht drastisch toeneemt tijdens het groeien, observeren. Natuurlijk, de belangrijkste test zal zijn of de puppy’s gezonde heupen hebben, dus enkele puppy’s zullen met vier maanden d.m.v. PennHip beoordeeld worden. PennHipp kwantificeert gewrichtsslapte van de heup met de "distraction index." Zal dit uiteindelijk het heup dysplasie probleem bij honden oplossen? Tijd zal het ons leren. Maar ik ben erg optimistisch.
Je kunt meer leren over ICB’s Heup Dysplasie Project en hoe je een nest kunt aanmelden via:
https://www.facebook.com/groups/ICBHipDysplasiaProject/

In aanvulling op het vorige bericht over de kinship en mean kinship van de Briards die in Nederland in 2019 ingezet zijn voor de fok en hun (beoogde) nakomelingen, hierbij nog wat cijfers van de geboren nesten; de inteelt (COI) over alle generaties van het nest en het gemiddelde van de ouders over alle generaties (de inteelt van het nest zou bij voorkeur onder het gemiddelde van de beide ouderdieren moeten liggen), de AVK (voorouderschapsverlies) over 10 generaties en het aantal unieke voorouders op 2046 mogelijke voorouders in 10 generaties.


Hoe verwant is de ene Briard aan de andere Briard? We kennen bijna allemaal de broers en zussen van onze Briards, de ouders, grootouders, misschien ook wel ooms, tantes, neven en nichten. Maar wist je dat alle Briards genetisch gezien nauw verwant zijn?
We kunnen deze verwantschap precies berekenen d.m.v. de kinship-coefficient (k). Je kunt dit vertalen als verwantschapscoëfficiënt, maar omdat we die vertaling meestal gebruiken voor de Coefficient of Relatedness (COR), gebruiken we hier de Engelse termen. De COR kun je berekenen door 2x de kinship te nemen. In onderstaande tabel zie je welke cijfers horen bij normale niet-ingeteelde familieverbanden.

Omdat onze honden ingeteeld zijn, om zodoende honden te krijgen die voldoen aan de eigenschappen (werk, karakter en uiterlijk) die men wenst en deze ook doorgeven aan nakomelingen, is het goed om te kijken naar hoe verwant onze Briards onderling zijn. Om zoveel mogelijk de genen diversiteit die nog aanwezig is te behouden, moeten we de honden die relatief onverwant zijn aan de andere honden in de populatie inzetten voor de fok. Ook moeten we oppassen met het combineren van nauw verwante honden, zover dat nog mogelijk is. We berekenen de kinship door de COI (Coefficient of Inbreeding, de inteeltcoëfficiënt) van een fictieve nakomeling van twee dieren te berekenen.
In onderstaande tabel hebben we de 11 reuen en 11 teven genomen die dit jaar voor de fok in Nederland zijn ingezet en hun onderlinge verwantschap berekend.
Als je b.v. in de linker rij hond 19.o9 opzoekt en in de bovenste kolom hond 19.o15, zie je in de tabel dat de bijbehorende kinship 25,13% is, dus een COR van 50,26%, een getal welke hoort bij een volle broer-zus verparing, of vader met dochter, of moeder met zoon. Deze verwantschap zie je niet terug als je alleen maar naar een 5-generatie-stamboom kijkt, dan zie je alleen terugkerende namen bij over-over-grootouders en over-over-over-grootouders.
In de tabel zie je ook de MK staan, dit staat voor de Mean Kinship, de gemiddelde verwantschap van de honden. Hond 19.o3 is b.v. gemiddeld voor 19,15% verwant aan de andere honden, en hond 19.o10 23,71%. Het percentage van 22,77 in het geel is de gemiddelde verwantschap van al deze 22 honden.
De MK in grafiek:

 

En hoe verwant zijn nu alle pups die dit jaar geboren zijn/worden aan elkaar? Ook dat kunnen we gemakkelijk berekenen en in beeld brengen:
De gemiddelde kinship van deze pups is dus 22,82%.

 

NOOT: De cijfers zijn gebaseerd op stamboomgegevens zover die aanwezig zijn, tot de founders, de werkelijke cijfers liggen hoogstwaarschijnlijk nog hoger.

 

We hebben zojuist een artikel gepubliceerd over de genetica van de vachtkleuren van de Briard. In een vervolg artikel willen we aan de hand van foto's van echte Briards, in allerlei kleuren, -patronen en -schakeringen, dit verder bespreken. Vind je het leuk om jouw hond daarbij terug te zien, stuur gerust een foto naar ons toe.


Fauve Briards komen in allerlei kleurschakeringen voor, van bijna wit tot diep warm fauve. Omgevingsfactoren, zoals zon, voeding en hormonen, spelen uiteraard  ook een rol in deze nuanceverschillen, maar in dit artikel behandelen we de genetische aspecten, althans zover we die nu kennen.

Eumelanine en phaeomelanine
Alle mogelijke vachtkleuren en -patronen van honden worden door twee verschillende pigmenten bepaald; eumelanine en phaeomelanine. Elk van deze twee pigmenten heeft een “standaard” kleur die beïnvloed kan worden door een variatie aan genen. Eumelanine is zwart pigment die door één set genen veranderd kan worden in leverkleur (bruin), of in blauw of isabel door andere genen. Phaeomelanine is rood pigment.  De term “rood” dekt daarbij alles van diep rood tot heel licht crème.  In tegenstelling tot eumelanine, die in twee verschillende kleuren voorkomt (zwart en lever), komt eumelanine alleen voor als één kleur, die varieert in intensiteit. De meest intense phaeomelanine kleur is het rood van de Ierse Setter. De “standaard” kleur is waarschijnlijk “goud”, waarbij verschillende genen verantwoordelijk zijn voor minder of meer intensiteit.  Phaeomelanine wordt alleen in het haar geproduceerd, eumelanine is ook aanwezig in andere gepigmenteerde delen, zoals ogen en neus. Zwarte en grijze Briards tonen dus alleen eumelanine, fauve Briards vertonen een patroon waarin in meerdere of mindere mate ook phaeomelanine zichtbaar is.

I-locus

Hoewel dus al wel bekend was dat alle kleurvariaties van het rode pigment binnen het pallet van de pheaomelanine vallen, is het pas onlangs dat een locatie in het genoom gevonden is voor phaeomelanine-verdunning, de zgn. I-locus. De I staat voor “itensity”, intensiteit. De onderzoekers (Lees HIER het hele onderzoek) hebben in eerste instantie voornamelijk gekeken naar witte honden met extreme verdunning van het pheaomelanine, zoals de Witte Herders, Cotons de Tuléar en Bichons Frisé, maar ook de vachtkleur van honden die in een vachtpatroon phaeomelanine tonen (dus zoals onze fauve Briards), kunnen beïnvloed worden door het I-locus (in het onderzoek is gekeken naar Duitse Herders en Leonbergers).   Er is inmiddels een simpele dna-test beschikbaar voor deze enkelvoudig recessieve mutatie via Labogen (let wel: deze test is nog niet gevalideerd voor de Briard!). De uitslag kan dan I/I (rood, oranje, geel), I/i (drager van crème/wit) of i/i (crème/wit) zijn.
Vanzelfsprekend kunnen er nog andere eigenschappen zijn die invloed hebben, maar het ontdekken van deze mutatie is al een belangrijke stap.

D- en G-locus

De genen op  het D- en G-locus hebben vooral invloed op het eumelanine. Maar omdat ze in –beperktere- mate ook het phaeomelanine kunnen beïnvloeden, bespreken we deze hier ook.
Het gen voor verdunning (dilute) ligt op de D-locus. Het is recessief, dus d is dilute en D is normaal en om dus dilute te tonen moet de hond d/d als genotype hebben. Een hond met D/d of D/D heeft normaal (niet verdund) pigment. Het dilute gen heeft invloed op eumelanine (zwart en lever), hoewel phaeomelanine (rood) ook lichter kan worden (maar nooit in dezelfde mate als eumelanine). De belangrijkste aanwijzing dat een hond dilute is, is over het algemeen de kleur van de neus. De vacht kan geheel fauve zijn bijvoorbeeld, maar als de hond een blauwe neus heeft, is het genetisch een dilute, blauw-gepigmenteerde hond. Er wordt nogal eens geroepen dat dilute honden minder gezond zijn dan honden met normaal pigment. Dit is een misverstand veroorzaakt doordat in sommige rassen een aandoening bestaat die bekend staat als Colour Dilution Alopecia (CDA). Deze aandoening is echter het resultaat van een foute versie van het d-allel. Niet alle rassen dragen dit foute allel en de meerderheid van dilute-honden zijn gewoon gezond.
Blauwe Doberman Pinscher (A) en black-and-tan Doberman Pinscher (B)
Bron: Polymorphisms within the canine MLPH gene are associated with dilute coat color in dogs (Philipp et al.)
  De G-locus is nog niet te testen, maar  we weten, zover we dat kunnen inschatten, wel hoe deze werkt. De G-locus regelt de progressieve vergrijzing (‘greying”) van donkere pigmenten (eumelanine) van het haar en in beperkte mate soms ook de lichte pigmenten (phaeomelanine). Het greying- gen beïnvloedt niet het pigment van neus en ogen zoals het dilute- gen. Het is progressief (dus de hond wordt b.v. zwart geboren en wordt naar verloop van tijd grijs) en hoeft niet de gehele vacht te beïnvloeden. De G-locus kan zich alleen uiten als het Wh-gen aanwezig is, ook wel het “bearded-gen” genoemd, dat zorgt voor “furnishing”; de langere snuitbeharing zoals we die ook bij de Briard kennen. De Greying factor vererft dominant, dus als beide ouders de kleur waarmee ze geboren zijn behouden, gebeurt er niets met de kleur van de pups.

Binnenkort meer over kleurgenetica van de Briard!

Referenties:

*Identification of a Missense Variant in MFSD12 Involved in Dilution of Phaeomelanin Leading to White or Cream Coat Color in Dogs     Benoit Hédan  ,Edouard Cadieu , Nadine Botherel , Caroline Dufaure de Citres, Anna Letko , Maud Rimbault, Cord Drögemüller, Vidhya Jagannathan, Thomas Derrien, Sheila Schmutz, Tosso Leeb  and Catherine André 

*MLPH Genotype Melanin Phenotype Correlation in Dilute Dogs     Welle, U. Philipp, S. Rüfenacht, P. Roosje, M. Scharfenstein, E. Schütz, B. Brenig, M. Linek,L. Mecklenburg, P. Grest, M. Drögemüller, B. Haase, T. Leeb, C. Drögemüller   Journal of Heredity, Volume 100, Issue suppl_1, July-August 2009, Pages S75–S79,https://doi.org/10.1093/jhered/esp010

*Polymorphisms within the canine MLPH gene are associated with dilute coat color in dogs     Ute PhilippHenning HamannLars Mecklenburg, Seiji NishinoEmmanuel MignotAnne-Rose Günzel-Apel, Sheila M Schmutz, and Tosso Leeb

 

 

error: Content is protected !!