Spring naar inhoud


Door Carol Beuchat PhD
Met toestemming vertaald en overgenomen van de website van het Institute of Canine biology
Een instabiel gewricht (onvoldoende aansluiting) is de belangrijkste riscio factor voor de ontwikkeling van heup dysplasie. Gewrichtsslapte is het resultaat van stress op het ligament dat in het gewricht ligt, het teres ligament, dat de kop van de femur verbindt met de heupkom.
Als het teres ligament beschadigd is, wordt de ronde kop van de femur niet nauwsluitend in de kom van het heupgewricht gehouden. Omdat de normale ontwikkeling van de heup een reactie is op de biomechanische krachten op de kom gedurende de groeiperiode van de puppy, kan een abnormale positie van de kop resulteren in schade van de rand van de heupkom en daarmee de ontwikkeling van heup dysplasie. Een goede ontwikkeling van het heup gewricht hangt in essentie af van dat de kop van femur goed in het midden van de heupkom zit. (Je kunt hier meer over lezen in “de 10 meest belangrijke dingen die je moet weten over heupdysplasie bij honden").

Het teres ligament zit aan de ene kant vast aan de kop van de femur en aan de andere kant aan de heupkom.
Hoe wordt de teres ligament beschadigd? Kennis die voorhanden is over de oorzaak van heup dysplasie bij mensen kan dit verduidelijken. ​De heupkommen van honden en mensen zijn vrijwel gelijk. De kop van de femur wordt stevig vastgehouden in de heupkom door spieren en pezen. Deze zijn zo strak en het teres ligament zo kort dat bij de geboorte, de benen uit elkaar en licht gebogen worden gehouden. Als de benen bij elkaar worden gehouden, wordt de kop van de femur van de heupkom weg getrokken, zoals je kunt zien in de afbeelding hieronder. Dit zet abnormale kracht (stress) op het teres ligament en kan resulteren in schade welke weer kan resulteren in gewrichtsslapte van het heupgewricht.

De bewegingen van de benen die stress op het teres ligament zetten, worden adductie en extensie genoemd – het strekken van de benen en ze bij elkaar brengen. Dit is de reden waarom heup dysplasie meer voorkomt in culturen waar baby’s strak ingebakerd worden, dan waar men kinderen op de rug draagt met de benen rond het middel van moeder. Met deze kennis, worden nieuwe moeders geadviseerd om pasgeborenen niet als een burrito in te bakeren maar losser met ruimte voor het spreiden van benen en het buigen van de knieën.

 

Waarom doet dit ertoe bij honden?

De heupen van pasgeboren puppy’s zijn gelijk aan die van mensen. Het heupgewricht is bij de geboorte voornamelijk kraakbeen, welke in bot wordt omgezet gedurende de eerste 5 maanden groei. Bij de geboorte, is het teres ligament erg kort en sterk en het wordt langer als de puppy groeit, zodat er meer vrijheid voor het gewricht is om te bewegen. Net als mensen, zal een pasgeboren puppy die op zijn rug ligt, de poten uit elkaar en gebogen houden.
Echter, als een pasgeboren puppy op een ondergrond wordt geplaatst met onvoldoende grip, glijden zijn voeten onder hem weg, net als die van jou zouden doen als je op ijs zou lopen met gewone schoenen. In het geval van de puppy, probeert deze te lopen door het achterwaarts duwen met de achterpoten en als er onvoldoende grip is op de ondergrond, strekken de benen en zelfs de voeten tot het maximale. Je zult dit zien als je naar puppy’s in de werpkist kijkt en je de voetzooltjes van de achterpoten naar de lucht wijzen i.p.v. naar de vloer. Een pup (en jijzelf) bewegen voorwaarts door achterwaarts te duwen. Als er onvoldoende grip is, zullen de benen uitstrekken en adduceren, exact de positie waarin schade optreedt aan het teres ligament bij mensenbaby’s.
De meeste mensen die ik het vraag, antwoorden dat ze hun puppy’s op materiaal met goede grip hebben in de werpkist. Vetbed, rubber matten, vloerbedekking, puppy-pads en vele andere dingen worden regelmatig gebruikt in de werpkist. Ik heb ze allemaal getest, en meer, en geen van allen gaf voldoende grip voor elk ras dat ik heb getest gedurende de eerste weken van opgroeien.
Hoe ik de grip heb beoordeeld? Ik heb naar extensie en adductie van de achterpoten gekeken. Als ik de voetzolen naar de lucht zag wijzen, werd de mat afgekeurd
Om eerlijk te zijn, vond ik één mat die voldoende grip gaf. Deze was gemaakt van kokos vezels die recht naar boven staken als borstelharen. Het gaf geweldige grip, maar het schaafde ook de delicate huid van de pasgeboren puppy’s voetzolen. Dat was uiteraard ook een mislukking.
Hieronder staan wat voorbeelden van wat ik observeerde tijdens het kijken naar puppy’s en als je even zoekt, zijn er vele gelijke voorbeelden te vinden in de massa’s aan puppy video’s op YouTube (zoek op "newborn puppies nursing or crawling”).

 

Om er zeker van te zijn dat dit duidelijk is, kijk eens naar deze video. Dit is een Mopshond. De Mopshond is een zware hond voor zijn formaat en hebben ook zware puppy’s. Mopshonden staan op nummer 2 van de hondenrassen in de OFA (Orthopedic Foundation for Animals) lijst met heup dysplasie frequenties.
De tranen zouden in je ogen moeten springen bij het zien van deze video. Deze “schattige” puppy is niet aan het leren kruipen. Het is zijn heupen aan het ruïneren omdat er geen enkele grip is en het voegt zich bij de vele andere honden die lijden aan heup dysplasie (en hoe zit het met die ellebogen??!!!)

Als je goed hebt opgelet, vraag je je waarschijnlijk af of je eigen puppy’s ooit met de voetzooltjes naar boven gericht liggen. Om je wat oefening te geven in het opmerken van extensie-adductie van de achterpoten (voor je weg sprint om naar je foto’s te kijken!), bekijk eens deze erg actieve puppy’s. Op het eerste oog, lijkt het alsof ze aardig goed rond kunnen bewegen, maar kijk eens goed; deze puppy’s op deze ondergrond zouden de “grip-test” niet doorstaan.
Kijk aandachtig! (Geef het een paar seconden om te laden, als de video schokkerig lijkt.)

 

Ik heb honderden nesten geobserveerd op allerlei ondergronden en tot nu toe is de ENIGE ondergrond die voldoende grip gaf voor alle puppy’s (dat is de achterpoten werden nooit volledig gestrekt en recht) was de kokos vezel mat die de huid van de zolen af kon schaven. Dit zijn matten die je in grote hotels ziet in gebieden waar het sneeuwt, zodat je met de haren de sneeuw aan de onderkant van je schoenen kunt vegen. Deze zijn ontworpen om ruw te zijn.
Nu, dit leidt tot de logische vraag. Is heup dysplasie het resultaat van inadequate grip in de werpkist voor pasgeboren puppy’s ? Als dat zo is, kunnen we heup dysplasie nu elimineren, simpel door goede grip te geven die uitglijden voorkomt. Het klinkt ongeloofwaardig, maar als we in 60 jaar strenge selectie nog steeds heup dysplasie niet hebben kunnen elimineren, is het waard een nieuwe verklaring te onthalen.
Ik heb de afgelopen jaren aan de oplossing voor dit probleem gewerkt. Eindelijk, na veel gedoe en gepruts, met een variatie aan types ondergronden, heb ik er eindelijk één die wegglijden zou moeten voorkomen en daarmee schade aan het teres ligament wat kan resulteren in heupdysplasie. Ik werk momenteel aan het testen van deze ondergrond bij verschillende nesten van een variatie aan rassen en tot zover werkt het goed. Ik moet naar veel meer rassen kijken en de puppy’s de eerste weken als hun gewicht drastisch toeneemt tijdens het groeien, observeren. Natuurlijk, de belangrijkste test zal zijn of de puppy’s gezonde heupen hebben, dus enkele puppy’s zullen met vier maanden d.m.v. PennHip beoordeeld worden. PennHipp kwantificeert gewrichtsslapte van de heup met de "distraction index." Zal dit uiteindelijk het heup dysplasie probleem bij honden oplossen? Tijd zal het ons leren. Maar ik ben erg optimistisch.
Je kunt meer leren over ICB’s Heup Dysplasie Project en hoe je een nest kunt aanmelden via:
https://www.facebook.com/groups/ICBHipDysplasiaProject/


Door Carol Beuchat PhD
Met toestemming vertaald en overgenomen van het Institute of Canine Biology

Heup dysplasie is een belangrijk onderwerp bij honden, dat is het al 50 jaar. Onderzoekers hebben decennia hard gewerkt aan het vinden van oplossingen en fokkers hebben hun best gedaan het risico op aangedane puppy's fokken, te verkleinen. Het probleem bestaat echter nog steeds.
Er zijn enkele simpele dingen die we kunnen doen om de incidentie van heup dysplasie te laten dalen, als we enkele basale zaken begrijpen. Hier zijn de 10 meest belangrijke dingen die je zou moeten weten.

1) Alle puppy's worden geboren met perfect normale heupen
Heup dysplasie is geen aangeboren afwijking; het is niet bij de geboorte aanwezig. Verschillende studies hebben aangetoond dat alle normale puppy's geboren worden met “perfecte” heupen; dat is, ze zijn “normaal” voor een pasgeborene met geen tekenen van dysplasie. Het heupgewricht bestaat bij de geboorte alleen uit kraakbeen en wordt pas bot tijdens de groei van de puppy. Als een puppy heup dysplasie zal gaan ontwikkelen, begint dit proces vlak na de geboorte.

Dit is het heupgewricht van een 1 dag oude puppy. Het kraabeen weefsel kun je niet zien op een röntgenfoto totdat de mineralen zijn afgezet die bot vormen. Een correcte ontwikkeling van het gewricht hangt af van het behouden van een goede aansluiting tussen de kop van het dijbeen (femurkop) en de kom (acetabulum).


"De heupgewrichten van alle honden zijn normaal bij de geboorte. De gewrichten blijven zich normaal ontwikkelen zolang als er volledige congruentie wordt behouden tussen het acetabulum en de femurkop...
De randen van het acetabulum worden gestimuleerd om te groeien door milde tractie van het gewrichtskapsel en de bilspieren langs de dorsale rand en door druk van de femurkoppen op het gewrichtskraakbeen... De morfologische karakteristieken van het complexe heup gewricht laten zien dat biomechanisch gedrag de belangrijkste invloed heeft op de groei van dit gewricht.” (Riser 1985)

2) De genen die heupdysplasie veroorzaken blijven een mysterie.
Heup dysplasie neigt in bepaalde rassen en sommige lijnen meer voor te komen dan in andere, wat impliceert dat er een genetische component een rol speelt bij deze aandoening. Echter hebben de wetenschappers al tientallen jaren zonder succes gezocht naar de genen die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van heup dysplasie bij honden.
In sommige rassen zijn genen gevonden die geassocieerd worden met heup dysplasie, maar ze zijn niet ras-specifiek; dus de verscheidenheid in genen verschilt in elk ras. ( Bijvoorbeeld, zie de studies bij de Duitse herdershond
(Marschall & Distl 2007, Fells & Distl 2014, and Fels et al 2014), Berner Sennenhond (Pfahler & Distl 2012), en Labrador Retriever (Phavaphutanon et al 2008). Genen die heup dysplasie zouden kunnen veroorzaken zijn in geen enkel ras gevonden.
Het is onwaarschijnlijk dat onderzoekers een eenvoudige genetische oplossing gaan ontdekken voor het probleem van heup dysplasie. Het is een complexe aandoeningen dat zowel door genen als de omgeving wordt beïnvloed en er is geen simpele oplossing aan de horizon.
We zouden in staat moeten zijn om genetisch vooruitgang te boeken door het gebruik van selectie strategieën die zo efficiënt en effectief als mogelijk zouden moeten zijn, zoals geschatte fok waarden (estimated breeding values, EBVs) Een groot voordeel van het gebruik van EBVs is dat de genen die verantwoordelijk zijn voor een eigenschap niet bekend hoeven te zijn; je hebt alleen een stamboom database nodig en informatie over aangedane dieren.

3) Omgevingsfactoren zijn ook belangrijk.
Hoewel er een genetische invloed is op heup dysplasie, is de erfelijkheidsgraad (Engels: heritability) van de eigenschap betrekkelijk laag, meestal 15-40% Dit betekent dat een deel van de variatie in de kwaliteit van heupen het resultaat is van niet-genetische, oftewel “milieu” invloeden. Dit is één reden waarom decennia lange strenge selectie alleen heeft geresulteerd in slechts een kleine vermindering van het aantal gevallen van hd in sommige rassen. Bij de huidige snelheid van vooruitgang en selectie op alleen fenotype, zou het decennia kunnen duren om betekenisvolle reductie in de incidentie van hd te bereiken (Lewis et al 2013).
Het begrijpen van de specifieke omgevingsfactoren die een rol spelen in de ontwikkeling van hd zou ons in staat moeten stellen het aantal dieren dat is behept met hd te verminderen, zelfs zonder op dit moment de genetische basis te begrijpen. Dit zou zowel significante pijn en lijden verminderen, als wel de kosten en hartzeer van de eigenaren van een getroffen hond. Er is geen enkele reden waarom we geen actieve stappen zouden nemen om dit nu te doen.
De top drie milieu invloeden waarvan we weten dat ze een significante rol spelen in de ontwikkeling van dysplastische heupen zijn: a) laxiteit van het gewricht, b) gewicht en c) lichaamsbeweging (zie hieronder)

4) Laxiteit van het gewricht is de belangrijkste oorzaak van heup dysplasie.
Puppy's worden geboren met perfecte heupen en als de heupen geen laxiteit ontwikkelen, zal de hond geen hd ontwikkelen (Riser 1985). Gewrichtslaxiteit ontstaat als de femurkop niet strak in het acetabulum past. Dit kan het resultaat zijn van een traume, overbelasting van het gewricht door overgewicht, gebrek vaan spierkracht of adductie (zoals de benen bij elkaar brengen. Gewrichtslaxiteit is de belangrijkste factor dat een hond vatbaar maakt voor de ontwikkeling van heup dysplasie.
Zowel bij honden als bij vele andere gewervelden (inclusief mensen), wordt de kop van het dijbeen veilig op zijn plek gehouden door een sterk ligament, het 'ronde ligament” of “ligamentum teres”genoemd
Aan de ene kant is dit ligament aan de fumurkop bevestigd en aan de andere kant aan de binnenkant van het acetabulum (de kom-vormige holte in het bekken). Je kunt de teres ligament in deze illustratie zien (daar gelabeld als “LIGAM. TERES)

Als dit ligament is beschadigd of kapot is, wordt de kop niet strak in de kom gehouden, wat veroorzaakt dat het gewricht “los” voelt.

Als de femurkop niet goed in de kom gepositioneerd zit, zijn de krachten die op de heup komen abnormaal. In plaats van over het binnenste oppervlakte van de kom verdeeld te worden, zullen de krachten op de heup in een smaller gebied geconcentreerd worden op de zwakkere rand van de kom. Het resultaat is een beschadiging van die rand als er gewicht op het heupgewricht wordt geplaatst.

5) Gewrichts stabiliteit beheersen
De ligamentum teres zou de kop van het dijbeen veilig in de kom moeten houden van de groeiende puppy terwijl de spieren die de heupen ondersteunen, ontwikkelen en sterker worden. Maar bij sommige puppy's, toont het ligament al tekenen van schade nog voor ze een maand oud zijn (Riser 1985).
"De Ligamentum teres van de heup waren oedemateus (gezwollen), een paar ligament vezels waren gescheurd en capillaire bloeduitstortingen bezaaiden de oppervlakte van het ligament op het punt van de scheuringen. Deze veranderingen worden verondersteld de eerste bevindingen te zijn die gelinkt zouden kunnen zijn aan heup dysplasie.”
De abnormale krachten op de femur en acetabulum die worden veroorzaakt door gewrichtslaxiteit resulteren in het trauma dat hd en osteoarthritis van de heup veroorzaakt.
Er is geen bewijs dat een primair defect van het bot bestaat, maar eerder dat de ziekte een falen van de spieren en andere zachte weefsels is om de heup volledig congruent te houden. Dit wordt verder ondersteund door het feit dat bot dysplasie kan worden verergerd, verminderd of voorkomen kan worden door het beheersen van de mate van gewrichtsinstabiliteit en incongruentie. Er zijn geen andere misvormingen die geassocieerd zijn met de ziekte. Een causaal verband tussen spieren, weefseldefect of pathologishe veranderingen anders dan gebrek aan spiermassa of -kracht is niet vastgesteld.. Heup dysplasie is een concentratie van factoren uit een pool van genetische zwakheid en milieu invloeden die vallen in een geprogrammeerd patroon van een progressieve hermodellering en degeneratieve gewrichtsziekte.”(Riser 1985)

6) Lichaamsgewicht is een belangrijke omgevings factor
Als er laxiteit is in het heupgewricht, hangt de schade die ontstaat aan de kop en kom af van de grootte van de krachten op het heupgewricht. Hoe zwaarder de hond, hoe groter de krachten zullen zijn en daarom hoe hoger het risico op hd en artrose. Puppy's die meer wegen bij de geboorte alswel die met een grotere groeisnelheid (dus ze worden sneller zwaarder) hebben een grotere kans op degeneratieve veranderingen van het heupgewricht ( (Vanden Berg-Foels et al 2006).
zoals deze grafiek laat zien, hebben puppy's die op een beperkt dieet (grijze lijn) stonden een dramatisch lagere kans op dysplasie en het ontwikkelt zich op een veel hogere leeftijd bij puppy's die op normaal rantsoen (zwarte lijn) werden gehouden
(Smith et al 2006).

Op de leeftijd van 4 jaar, heeft minder dan 10% van de honden die op een beperkt dieet (25% minder dan het controle dieet) werden gehouden, dysplasie, terwijl op hetzelfde moment meer dan 30% van de honden in de controlegroep dysplastisch was. Een bijkomend voordeel is dat honden op een beperkt dieet ook langer leven (Kealy et al 2002)! jammer genoeg, hebben veel honden (inclusief showhonden!) overgewicht(McGreevy et al 2005, Corbee 2013) en obesitas zou wel eens de meest belangrijke omgevingsfactor kunnen zijn, die de ontwikkeling van hd en artrose beïnvloedt. Maar lichaamsgewicht is een factor die we kunnen beheersen.
Hoewel vooruitgang van genetische selectie vele generaties in beslag neemt, kunnen we de incidentie van hd bij honden onmiddellijk en drastisch reduceren, eenvoudig door een betere gewichtsbeheersing.

7) Beweging is goed en slecht 
Beweging zorgt voor sterkere spieren van de poten en bekken en dit zal de stabiliteit van het heupgewricht verhogen. Maar alle beweging is niet hetzelfde.
Puppy's die opgroeien op gladde vloeren of met toegang tot trappen als ze jonger zijn dan 3 maand hebben een hoger risico op hd, terwijl zij die onaangelijnd mogen bewegen op zachte, ongelijke ondergrond (zoals in een park) hebben een lager risico (Krontveit et al 2012). Honden die in de zomer geboren zijn hebben een kleinere kans op hd, waarschijnlijk omdat ze meer mogelijkheid hebben om buiten te bewegen (Ktontveit et al 2012). Aan de andere kant, honden van 12-24 maand die regelmatig achter ballen of een stok aanrennen hebben een grotere kans op het ontwikkelen van hd (Sallander et al 2006).
De meest kritieke periode voor een goede groei en ontwikkeling van de heupen bij honden is vanaf de geboorte tot 8 weken, dus het type beweging dat puppy's krijgen is het allerbelangrijkste tijdens deze periode.

8) Voeding is belangrijk
Omdat puppy's snel groeien is het van cruciaal belang dat zij de juiste voeding krijgen. Groeiende puppy's moeten genoeg eten om te kunnen groeien, maar ze moeten niet vet zijn, omdat extra gewicht de kans op het ontwikkelen van hd vergroot (Hedhammar et al 1975, Kasstrom 1975). Een bijkomend probleem is dat als puppy's teveel voeding krijgt, hij ook teveel van specifieke nutriënten binnen krijgt. Puppy's die een kwalitatief commercieel voer krijgen dat in de juiste hoeveelheid wordt gevoerd, krijgen zo een nutritioneel uitgebalanceerd dieet en dienen geen supplementen toegevoegd te krijgen. Voedingssupplementen, zeker calcium, zijn niet alleen onnodig, maar kunnen serieuze problemen veroorzaken. Er is geen bewijs dat proteïne supplementen of vitamines het risico op hd verkleinen (Kealy et al 1991, Nap et al 1991, Richardson & Zentek 1998).

9) Vroege interventie is essentieel
De meeste behandelingen bij hd zijn gemakkelijker en succesvoller bij jonge honden. Als vroege symptomen niet opgemerkt worden en screening pas na 24 maanden of later wordt gedaan, is het tijdsvenster met de beste prognose voor reactie op de behandeling, voorbij (Morgan et al 2000). Tekenen van kreupelheid verschijnen meestal voor het eerst wanneer de puppy 4 tot 6 maanden is, maar na een maand of twee lijkt het of het beter gaat met de hond. Dit is omdat de schade aan de rand van de kom zoals micro-fracturen geheeld zijn en de hond geen pijn meer heeft, maar de ontwikkeling van dysplasie en artrose gaat door. Vanaf daar kan de hond voor jaren geen klinische tekenen meer vertonen, terwijl de pathologische schade voortschrijdt.
Laxiteit in het gewricht kan al bepaald worden op de leeftijd van 4 maanden (hetzij door palpatie of door PennHIP). Als het vroeg wordt ontdekt, kan interventie om de bijkomende schade te beperken, bestaan uit gewichtsverlies, aanpassing van beweging en activiteiten of chirurgie – maar het moet vroeg gedaan worden voor de groei van het skelet compleet is. Fokkers zouden nieuwe puppy eigenaren moeten onderwijzen over de factoren die het risico vergroten op het ontwikkelen van hd en hen adviseren om onmiddellijk een dierenarts onderzoek te alten doen bij elk teken van kreupelheid.

10) We kunnen hd drastisch verminderen
Genetische selectie moet doorgaan om een bescheiden vooruitgang te bereiken in de reductie van hd. Maar een significante en onmiddellijke reductie in het aantal aangedane dieren kan bereikt worden door een betere controle van niet-genetische, omgevinsfactoren. Beheersing van het lichaamsgewicht, geschikte beweging, goede voeding, en vroege interventie bij eerste tekenen van kreupelheid zijn simpele stappen die we kunnen nemen die de pijn en het lijden door hd aanzienlijk te reduceren. Het onderzoek zal zeker doorgaan, maar we hebben nu al de informatie die we nodig hebben om dit probleem aan te pakken.

Wil je je kennis van de anatomie van de heup opfrissen? Check de virtuele 3D tour:
Virtual tours of the canine hip and pelvis

Je kunt meer leren over heup dysplasie tijdens de 10 weekse cursus
"Understanding Hip and Elbow Dysplasia".

bronnen:
* Corbee RJ. 2012. Obesity in show dogs. Anim. Physiol. Anim. Nut. DOI: 10.1111/j.1439-0396.2012.01336.x
* Fels L, Y Marschall, U Philipp, & O Distl. 2014. Multiple loci associated with canine h.ip dysplasia (CHD) in German shepherd dogs. Mamm. Genome. DOI 10.1007/s00335-014-9507-1.
* Hedhammar A, F-M Wu, L Krook, HF Schryver, A de Lahunta, FP Whalen, FA Kallfelz, EA Nunez, HF Hintz, BE Sheffy, & GD Ryan. 1975. Overnutrition and skeletal disease: An Experimental Study in Growing Great Dane Dogs. Cornell Vet 64: Supp 5.
* Kasstrom H. 1975. Nutrition, weight gain and development of hip dysplasia. An experimental investigation in growing dogs with special reference to the effect of feeding intensity. Acta Radiol Suppl 344: 135-179.
* Kealy RD, DF Lawler, & KL Monti. 1991. Some observations on the dietary Vitamin D requirement of weanling pups. J Nutr  121: S66-S69.
* Kealy RD, DF Lawler, JM Ballam, SL Mantz, DN Biery, EH Greeley, G Lust, M Segre, GK Smith, & HD Stowe. 2002. Effects of diet restriction on life span and age-related changes in dogs. J. Am. Vet. Med. Assoc. 220: 1315-1320.
* Krontveit RI, A Nodtvedt, BK Saevik, E Ropstad, & C Trangerud.  2012. Housing- and exercise-related risk factors associated with the development of hip dysplasia as determined by radiographic evaluation in a prospective cohort of Newfoundlands, Labrador Retrievers, Leonbergers, and Irish Wolfhounds in Norway. Am J Vet Res 73: 838-846.
* Lewis, TW, SC Blott, & JA Woolliams. 2013. Comparative analyses of genetic trends and prospects for selection against hip and elbow dysplasia in 15 UK dog breeds. BMC Genetics 14:16.
* Marschall Y & O Distl. 2007. Mapping quantitative trait loci for canine hip dysplasia in German Shepherd dogs. Mamm. Genpome 18: 861-870.
* McGreevy, P D, PC Thomson, C Pride, A Fawcett, T Grassi, B Jones. 2005. Prevalence of obesity in dogs examined by Australian veterinary practices and the risk factors involved. Vet Rec 156, 695-702.
* Morgan JP, A Wind, & AP Davidson. 2000. Hereditary bone and joint diseases in the dog. Schlutersche GmbH & Co. KG, Germany.
* Nap RC, HAW Hazewinkel, G Voorhout, WE van den Brom, SA Goedegebuure, & AT Kloosteer. 1991. Growth and skeletal development in Great Dane pups fed different levels of protein intake. J Nutr 121: S107-S113.
* Pfahler S & O Distl. 2012. Identification of Quantitative Trait Loci (QTL) for Canine Hip Dysplasia and Canine Elbow Dysplasia in Bernese Mountain Dogs. PLoS ONE 7(11): e49782. doi:10.1371/journal.pone.0049782
* Phavaphutanon J, R.G. Mateescu, K.L. Tsai, P.A. Schweitzer, E.E. Corey, M.A. Vernier-Singer, A.J. Williams,N.L. Dykes, K.E. Murphy, GLust, R.J. Todhunter. Evaluation of quantitative trait loci for hip dysplasia in Labrador Retrievers. Am. J. Vet. Res. 70: 1094-101.
* Richardson DC & J Zentek. 1998. Nutrition and osteochrondrosis. Vet Clinics of N Am: Small Anim Pract 28: 115-135.
* Riser WH. 1985. Hip dysplasia. Ch 83 In Textbook of Small Animal Orthopedics. CD Newton & DM Nunamker, eds.
* Sallander MH, A Hedhammar, & MEH Trogen. 2006. Diet, Exercise, and Weight as Risk Factors in Hip Dysplasia and Elbow Arthrosis in Labrador Retrievers. J. Nutr. 136: 2050S-2052S.
* Smith, GK, ER Paster, MY Powers, DF Lawler, DN Biery, FS Shofer, PJ McKellvie & RD Kealy.  2006.  Lifelong diet restriction and radiographic evidence of osteoarthritis of the hip joint in dogs. J. Am. Vet. Med. Assoc. 5: 690-693.
* Vanden Berg-Foels WS, RJ Todhunter, SJ Schwager, & AP Reeves. 2006. Effect of early postnatal body weight on femoral head ossification onset and hip osteoarthritis in a canine model of developmental dysplasia of the hip. Ped. Res. 60: 549-554.

* Revised 13 Dec 2015


Door dr. Carol Beuchat
Met toestemming vertaald en overgenomen van de website van het Institute of Canine Biology.

Veel van de eigenschappen bij honden waarvoor we graag voor of tegen zouden willen selecteren worden bepaald door meer dan één gen. In feite kunnen er tientallen of honderden genen achter een eigenschap zitten, elk slechts een klein effect hebbend, maar te samen kunnen ze een substantiële invloed hebben op fenotype. Bijvoorbeeld osteosarcoom, een agressieve vorm van botkanker welke redelijk algemeen voorkomend is bij grotere hondenrassen zoals de Geyhound, Ierse Wolfshond en Rottweiler. DNA onderzoeken hebben 33 loci geïdentificeerd die geassocieerd zijn met osteosarcoom die gezamenlijk 55-85% van de fenotypische variatie bij deze drie rassen, verklaart, wat aanwijst dat deze vorm van kanker sterk overerfbaar is (Karlsson et al 2013). Veel van deze genen worden gevonden in de regio's van de chromosomen die geassocieerd worden met bot differentiatie en groei, maar het lijkt erop dat de plaatsen verschillen in elk ras. Tot nu toe is er nog geen “osteosarcoom” gen bij honden en met tientallen potentiële risico loci, lijkt het er niet op dat er in de nabije of zelfs verre toekomst, een simpele genetische test komt.

Als we niet naar de moleculaire genetici kunnen kijken voor oplossingen, dan moeten we voor hulp teruggaan naar de basisprincipes van erfelijkheid en de wetenschap van de dierfokkerij. We weten dat osteosarcoom sterk erfelijk is. In Schotse Deerhounds, is de erfelijkheidsgraad van osteosarcoom 0.7, wat betekent dat 70% van de variatie in het voorkomen van deze kanker bij Deerhounds, verklaard kan worden door genetica. De andere 30% verklaren we door “milieu”, onze overkoepelende term voor alles wat “niet genetisch” is. (Als een eigenschap geen genetische basis heeft, is de erfelijkheidsgraad 0%; als de eigenschap volledig bepaald wordt door genen, is de erfelijkheidsgraad 100%). Hoe hoger de erfelijkheidsgraad van een eigenschap, hoe gemakkelijker het is om de frequentie van het fenotype in een populatie te veranderen door selectie.
Een erfelijkheidsgraad van 70% voor osteosarcoom bij Deerhounds betekent dat een selectie programma erg effectief kan zijn in het reduceren van de incidentie van de ziekte in het ras. En de meest effectieve manier om een dergelijk fok programma te exploiteren is niet door het direct selecteren tegen het fenotype, maar door gebruik te maken van de informatie van de fok waarde van elke hond voor die eigenschap.

We hebben het eerder over fok waardes gehad (klik), waarbij we voorbeelden gebruikten van heup dysplasie bij Hovawarts en cryptorchydie bij Boxers (als je die blog gemist hebt, lees die dan eerst). In beide voorbeelden, waren alle inspanningen van fokkers om het genetische probleem te beheersen, zelfs over tientallen jaren, niet succesvol. Maar snelle en significante vooruitgang werd gemaakt vanaf dat men selectie baseerde op geschatte fok waarden die bepaald waren door het gebruiken van statistische analyses van het voorkomen van de aandoening bij verwante dieren. In essentie werden dus, in plaats van beslissingen te maken op basis van fenotype, deze gebaseerd op genotype. Deze techniek stelt fokkers in staat om onderscheid te maken tussen de genetische invloed en de niet-genetische factoren die een eigenschap kunnen beïnvloeden, wat selectie veel efficiënter maakt. Met geen uitzicht op een genetische test in de nabije toekomst voor osteosarcoom bij honden, zouden fokkers toch in staat moeten zijn de incidentie van deze kanker in hun ras te verlagen door het gebruik van geschatte fok waarden. Dit vereist alleen een stamboom database en de informatie over aangedane dieren onder het dier zijn verwanten. Een computer genereert een getal dat de “genetische waarde” reflecteert van een hond voor een bepaalde eigenschap, in dit geval osteosarcoom. Door gebruik te maken van geschatte fok waarde (EBV) om honden te identificeren met een lager risico voor osteosarcoom, kunnen fokkers effectief de incidentie van deze kanker in het ras verlagen.

Het allermooiste van EBV's is dat je niet hoeft te weten hoe genen betrokken zijn bij een eigenschap of hoe het overgeërfd wordt. Je hoeft geen selectie criteria te baseren op een fenotype dat misschien slechts gedeeltelijk bepaald wordt door genen. De geschatte fokwaarde is een numerieke schatting van dat wat een dier aan zijn nakomelingen mee geeft.

EBVs kunnen gebruikt worden om de selectie tegen vele genetische aandoeningen, te verbeteren. De erfelijkheidsgraad van andere kankersoorten zijn relatief ook hoog: lymfoom bij Golden Retrievers heeft een erfelijkheidsgraad van 44%, histiocytoom bij Berner Sennenhonden is 30%. De erfeljkheidsgraad van hypothyroïdisme bij Beagles is 33%, Mitraal klep ziekte bij Cavaliers is 33% en epilepsie bij de Tervurense Herder is 77%.

Als een aandoening in een ras te voorschijn komt, zijn fokkers meestal gefocust op het identificeren van het verantwoordelijke gen zodat ze een test kunnen ontwikkelen en ertegen kunnen selecteren. Echter is het voor veel aandoeningen onwaarschijnlijk dat er in de nabije toekomst – en misschien wel nooit, een test beschikbaar komt.

Geschatte fokwaarden bieden een manier om veel efficiënter te selecteren tegen een probleem dan door alleen het fenotype te gebruiken en alles wat je nodig hebt is een gezondheidsdatabase.

Verschillende Kennel clubs bieden al EBVs aan voor heupen (b.v. Finland en Groot-Brittanië) en deze bronnen zullen zich blijven ontwikkelen voor andere aandoeningen. Een website die EBVs voor heup en elleboog dysplasie bij honden in de VS gebaseerd op publieke data, beschikbaar zal stellen is in de maak aan Cornell en ICB zal met verschillende groepen fokkers in 2015 werken om hun data online te krijgen en hen trainen hoe dit te gebruiken. Fokkers die worstelen met het beheersen van genetische aandoeningen, soms voor tientallen jaren, zouden snel vooruitgang moeten zien als ze EBVs gaan gebruiken. Deze website is in ontwikkeling, maar je kunt alvast HIER een kijkje nemen.
(….....)
De Populatie Genetica cursussen van ICB legt een fundament voor het begrijpen hoe EBV's kunnen worden gebruikt voor het beheersen van aandoeningen bij rashonden.

Bronnen

* Benjamin SA, LC Stephens, BF Hamilton, WJ Saunders, AC Lee, GM Angleton, & CH Mallinckrodt. 1996. Associations between lymphocytic thyroiditis hypothyroidism, and thyroid neoplasia in Beagles. Vet Pathol 33: 486-494.
* Beuing R, N Janssen, & H Brand. Analysis of fertility in canine populations in respect to genetic and environmental influences. (MS)
* Beuing 
R, G Beuing, P Pracht, & N Janssen. 2003. Cryptorchidism in dogs: prevention by breeding. Icelandic Sheepdog meeting; powerpoint presentation.
* Cargill EJ, TR Famula, GM Strain, & KE Murphy. 2004. Heritability and segregation analysis of deafness in US Dalmatians. Genetics 166: 1385-1393.
* Courreau J-F & B Langlois. 2005. Genetic parameters and environmental effects which characterize the defence ability of the Belgian shepherd dog. App Anim Behav Sci 91: 233-245.
* De Risio L, T Lewis, J Freeman, A de Stefani, L Matiasek, & S Blott. 2010. Prevalence, heritability and genetic correlations of congenital sensorineural deafness and pigmentation phenotypes in the Border Collie. Vet J 188: 286-290.
* Famula TR, EJ Cargill, & GM Strain. 2007. Heritability and complex segregation analysis of deafness in Jack Russell Terriers. BMC Vet Res 3: 31.
* Famula TR, AM Oberbauer, & KN Brown. 1997. Heritability of epileptic seizures in the Belgian Tervuren. J Small Anim Prac 38: 349-352.
* Ginja, MMD, AM Silvestre, AJA Ferreira, JM Gonzalo-Orden, MA Orden, P Melo-Pinto, MP Llorens-Pena, & J Colaco. 2008. Passive hip laxity in Estrella Mountain Dog- distraction index, heritability and breeding values. Acta Vet Hungarica 56: 303-312.
* Guthrie S & HG Pidduck. 1990. Heritability of elbow osteochondrosis within a closed population of dogs. J Small Anim Pract 31: 93-96.
* Hare E & SG Thomas. 2009. Heritability of motivation-related traits in Labrador Retriever detector dogs. J Vet Behav 4: 238-239.
* Jeglum KA & TR Famula. Heritability and segregation analysis of lymphoma in Golden Retrievers. (MS)
* Karlsson EK, S Sigurdsson, E Ivansson, R Thomas, and others. 2013. Genome-wide analyses implicate 33 loci in heritable dog osteosarcoma, including regulatory variants near CDKN2A/B. Genome Biol 14: R132.
Leighton EA. 1999. Using estimated breeding values to reduce the incidence of genetic diseases in dogs.
* Lewis TW, SC Blott, & JA Woolliams. 2013. Comparative analyses of genetic trends and prospects for selection against hip and elbow dysplasia in 15 UK dog breeds. BMC Genetics 14 :16.
* Lewis TW, JJ Ilska, SC Blott, JA Wooliams. 2011 Genetic evaluation of elbow scores and the relationship with hip scores in UK Labrador retrievers. Vet J 189: 227-233.
* Lewis T, C Rusbridge, P Knowler, S Blott, & JA Wolliams. 2010. Heritability of syringomyelia in Cavalier King Charles Spaniels. Vet J 183: 345-347.
* Lewis T, S Swift, JA Wolliams, & S Blott. 2011. Heritability of premature mitral valve disease in Cavalier King Charles Spaniels. Vet J 188: 73-76.
* Liinamo A-E, L Karjalainen, M Ojala, & V Vilva. 1997. Estimates of genetic parameters and environmental effects for measures of hunting performance in Finnish Hounds. J Anim Sci 75: 622-629.
* Mackenzie SA, EAB Oltenacu, & E Leighton. 1985. Heritability estimate for   temperament scores in German Shepherd Dogs and it's genetic correlation with hip   dysplasia. Behav Gen 15: 475-482.
* Nielen L, J Nielen, LLG Janss, & BW Knol. 2001. Heritability estimations for dieases, coat color, body weight, and height in a birth cohort of Boxers. Am J Vet Res 62: 1198-1`206.
* Padgett GA, BR Madewell, ET Kellert, L Jodar, & M Parkard. 1995. Inheritance of histiocytosis in Bernese Mountain Dogs. J Small Anim Practice 36: 93-98.
* Phillips JC, B Stephenson, M Hauck, & J Dillberger. 2007. Heritability and segregation analysis of osteosarcoma in the Scottish Deerhound. Genomics 90: 354-363.
* Reist S. 2008. Inheritance of subaortic stenosis of the Newfoundland.
* Schmutz SM & JK Schmutz. 1998. Heritability estimates of behaviors associated with hunting in dogs. J Heredity 89: 231-237.
* Wilson BJ, FW Nicholas, JW James, CM Wade, I Tammen, HW Raadsma, K Castle, & PC Thompson. 2012. Heritability and phenotypic variation of canine hip dysplasia radiographic traits in a cohort of Australian German Shepherd Dogs. PLoS ONE 7: e39620.
* Verryn SD & JMP Geerthsen. 1987. Heritabilities of a population of German Shepherd Dogs with a complex interrelationship structure. Theor Appl Gen 75: 144-146.
* Zhang Z, L Zhu, J Sandler, SS Friedenberg, and others. 2009. Estimation of heritabilities, genetic correlations, and breeding values of four traits that collectively define hip dysplasia in dogs. Am J Vet Res 70: 483-492.


Fokwaardeschatting van honden.

Door Carol Beuchat Phd
Met toestemming vertaald en overgenomen van de website van het Institute of Canine Biology.

De eerste stap in het plannen van een nestje is om de eigenschappen die je in de potentiële fokdieren wilt (en niet wilt) te evalueren. Van de eigenschappen die erfelijk zijn, d.i. In ieder geval gedeeltelijk bepaald worden door genen, wil je vooral weten of de hond deze specifieke genen heeft om de eigenschappen door te kunnen geven die jij graag terug wilt zien in de nakomelingen. We hebben DNA testen voor een paar nuttige zaken zoals vachtkleur en enkele ziektes, maar voor het grootste gedeelte zijn de genen die aanwezig zijn in de hond onbekend.

Als je een ervaren fokker bent, weet je dat je naar de verwanten van de hond kunt kijken –ouders, tantes en ooms, nestgenoten en vooral kinderen om een idee te krijgen van wat de hond waarschijnlijk doorgeeft. Wat je probeert is om de “fok waarde” van een hond te voorspellen; dat is, hoe waarschijnlijk is het om nakomelingen te produceren met een bepaalde eigenschap. Soms is het plaatje heel duidelijk, maar soms is het gecompliceerd en kun je alleen je vingers gekruist houden achter je rug. En het allerbeste wat je kunt doen is een subjectieve, zonder twijfel bevooroordeelde gissing.

Er zijn betere manieren om dit te doen. Als je weet dat een eigenschap erfelijk is en je ook weet dat een hond de helft van zijn genen van de vader krijgt en de helft van de moeder, dan kun je voorspellingen doen over hoe waarschijnlijk het is dat een hond de genen draagt van een bepaalde voorouder. Je doet dit soort dingen als je de inteelt coëfficiënt gebruikt om te schatten hoe groot de kans is om puppy's te fokken die homozygoot zijn voor een recessief allel die van beide kanten in de stamboom wordt geërfd. Ditzelfde kunnen we doen met een quantitatieve (d.i. numerieke) schatting. Van de fok waarde van een hond voor een bepaalde eigenschap, dit is de geschatte fok waarde. (in het Engels estimated beeding value, EBV).

Je herinnert je vast dat fenotype (P) afhankelijk is van zowel genen (G) als milieu (E):
P = G + E
Hier bevat “milieu” elke factor die de eigenschap kan beïnvloeden welke niet genetisch is. Als we kunnen ontdekken wat G is, hebben we de informatie over hoe waarschijnlijk het is dat een hond de genen heeft voor een bepaalde eigenschap. Bijvoorbeeld, als je kijkt naar heup uitslagen, of naar een niet ingedaalde teelbal, of een röntgenfoto van dysplastische ellebogen, of de MRI van een Cavalier King Charles Spaniel verdacht van syringomyella, taxeer je alleen het fenotype. Je hebt geen idee hoeveel van de variatie van die eigenschap die er tussen dieren bestaat door genen wordt bepaald en hoeveel bepaald wordt door zaken die niet genetisch zijn. Omdat selectie alleen invloed heeft op genen, is het kennen van de echte fok waarde voor een eigenschap in een bepaalde hond extreem waardevol.

EBVs worden al decennia lang gebruikt door fokkers van andere gedomesticeerde dieren. “Maar”, hoor ik je zeggen, “honden zijn geen vee”. Kunnen EBV's succesvol toegepast worden in honden?
Ja. Hier zijn enkele voorbeelden. Je zult in beide voorbeelden zien dat de inspanningen van fokkers om een genetisch probleem te beheersen door selectie tegen een ongewenst fenotype maar weinig succes had voordat men EBV's ging gebruiken.

Cryptorchidie in Boxers
Cryptorchidie (het niet indalen van een of beide testikels) is een probleem in veel rassen en historisch gezien hadden Boxers een hoge incidentie van cryptorchydie. Als geen van beide testikels in daalt, is de hond steriel, omdat de warmte van het lichaam op de spermaproductie ingrijpt Maar een hond met één testikel is vruchtbaar (hoewel gevoelig voor testikel tumoren). .

De meeste nu levende Boxers zijn in hun stamboom terug te leiden tot vier Duitse dekreuen –Sigurd von Dom en zijn drie kleinzonen, Utz von Dom, Dorian von Marienhof en Lustig von Dom. Alle vier gaven cryptorchide nakomelingen. De eerste pogingen om de frequentie van cryptorchidie te verminderen begon in 1942 met een totale ban op het fokken van honden met cryptorchidie (zie de grafiek hieronder). Desondanks nam de incidentie van cryptorchidie toe bij Oost-Duitse honden in de daarop volgende jaren, van 6% in 1941 naar 10% in 1981. In
West-Duitse honden nam dit toe van 7% in 1959 naar 14% in 1985. In 1985 zorgden zorgen omtrent de genetische diversiteit van het ras, dat de kennel club fokkers aanmoedigde om minder bekende reuen te gebruiken en weg te fokken van de populaire dekreuen, maar dit zorgde nog steeds niet voor een verlaging van de incidentie van cryptorchidie.

De Duitse eenwording in 1990 vergrootte de toegang tot een bredere genenpool, maar crytorchidie bleef onverminderd toenemen. In 1996, werden wederom strenge fokregels opgelegd. Teven werden uit de fok gehaald als ze in 2 nesten cryptorchidie produceerden en reuen werden uit de fok gehaald als ze meer dan 15% crytorchiden hadden in tenminste 20 nakomelingen. Deze politiek reduceerde de frequentie van het voorkomen van cryptorchidie, maar het verwijderde ook 84% van de reproductieve honden uit de genenpool en in elk geval nam de verbetering na een paar jaar af.

Tot slot hief Duitsland in 2000 alle restricties op ten aanzien van crytorchidie en het gebruik van geschatte fok waarden (EBVs) ingesteld om de selectie tegen crytorchidie te verbeteren. In slechts enkele jaren zagen ze een aanzienlijke verbetering (rood in de grafiek).

Heupdysplasie bij de Hovawart
EBVs zijn in verschillende rassen succesvol toegepast om de frequentie van heup dysplasie (HD) te verminderen. De data in de grafiek hieronder zijn van een fokprogramma tegen HD bij de Hovawart. Nadat pogingen om heup dysplasie te verminderen door middel van selectie op fenotype, faalden om een consistente verbetering te bewerkstelligen, werden in 1984 strenge fok restricties ingesteld die alle aangedane honden uitsloot van de fok. Dit maakte het feitelijk erger, het reduceerde het aantal niet aangedane honden en zorgde voor een toename van honden met de classificatie “grensgeval”. In 1989 werd selectie op basis van EBV's ingesteld en dit zorgde meteen voor een significante verbetering in heup scores. In slecht 5 jaar had meer dan 80% van de honden normale heupen en het aantal ernstig aangedane honden werd bijna geëlimineerd.

Dit zijn spectaculaire, maar niet a-typische voorbeelde van de verbeteringen die in slechts een paar jaar bewerkstelligt kunnen worden door het gebruiken van EBV's als leidraad voor selectie in plaats van fenotype. EBVs stellen fokkers in staat om onderscheid te maken tussen honden met slechte heupen en honden met de genen voor slechte heupen -de essentiële scheiding van de mogelijke omgevingsinvloeden van het onderliggend genotype waarin de fokker daadwerkelijk in is geïnteresseerd. Dit betekent dat er minder dieren uit de genenpool verwijderd worden, omdat honden met een slecht fenotype maar een goed genotype voor de gewenste eigenschap in de fok kan blijven.

Het gebruik van EBVs voor selectie kan leiden tot een probleem dat ook bij selectie op fenotype voorkomt. Als iedereen naar de reu rent met de beste EBV score, creëert dit een bottleneck en zorgt voor een toename van de inteelt als er geen zorg wordt gedragen voor een balans van de reproductie van dieren over de breedte van de genenpool. Dit zou sowieso een basaal onderdeel moeten zijn van een solide genetisch management van een fok populatie van dieren, ongeacht het plan fokkers gebruiken voor hun eigen fok beslissingen. .

EBVs zullen nieuw zijn voor veel hondenfokkers, maar in feite zijn ze al decennia in gebruik als leidraad voor fok beslissingen van geleidehonden bij organisaties zoals Guiding Eyes for the Blind, Seeing Eye.. Door het gebruik van EBVs, kan een goed werkende organisatie genetische aandoeningen beheersen, inteelt beperken in zelfs een gesloten genenpool en honden fokken met de eigenschappen die belangrijk zijn voor geleidehonden De efficiëntie van het fok programma wordt bewezen doordat meer van de honden die gefokt worden, geschikt zijn voor het werk.

Hondenfokkers kunnen EBVs gebruiken om selectie toe te passen om eigenschappen die zij wenselijk vinden te verbeteren en ongewenste eigenschappen te reduceren (Lewis et al 2013). EBVs kunnen voor elke eigenschap die geëvalueerd kan worden door de fokker – temperament, grootte, herdersinstinct, vachtkwaliteit, hart aandoeningen, “showiness”, heup dysplasie- alles wat je kunt beoordelen op beter of slechter zijn, gewenst of ongewenst. EBVs komen in meer en meer landen beschikbaar via de Kennel clubs en ze zijn het meest waardevolle middel dat nu beschikbaar is om de gezondheid en het welzijn van honden te verbeteren.

Beuing R, G Beuing, P Pracht & N Janssen.l 2003 Cryptorchidism in dogs: prevention by breeding (from a seminar in 2003) (pdf)

Beuing R. Strategies in modern dog breeding. (pdf)

Lewis TW, SC Blott, & JA Wooliams. 2013. Comparative analysis of genetic trends and prospects for selection against hip and elbow dysplasia in 15 UK dog breeds. BMC Genetics 14:16 (pdf)

 


Onderstaand artikel kwam ik tegen over prevalentie en erfelijkheidsgraad van distichiasis bij Engelse Cocker Spaniëls. Distichiasis komt ook bij de Briard voor dus interessant om kennis van te nemen.


Prevalence and heritability of distichiasis in the English Cocker spaniel
Tanja Petersen, Helle Friis Proschowsky, Tommy Hardon, Søren Nyhuus Rasch and Merete Fredholm
Email author
Canine Genetics and Epidemiology20152:11
https://doi.org/10.1186/s40575-015-0024-7©  Petersen et al. 2015
Received: 30 December 2014Accepted: 7 July 2015Published: 2 August 2015

Abstract
Background
Canine distichiasis is a well-known cause of ocular irritation and excessive lacrimation (secretion of tears) in the dog. The term distichiasis originates from the Greek words di and stichos meaning two and rows, respectively, and as the name implies, the condition is characterized by an additional row of cilia, which erupts on the eyelid margin. Many purebred dogs are known to be predisposed to the condition, with many affected individuals within the populations. Even though the problem is widespread, the exact mode of inheritance and the heredity has not been studied extensively. However, some degree of genetic influence has been assumed, due to the high incidences within specific breeds. In the present study we have examined a cohort of English Cocker spaniels in Denmark to determine the prevalence and heritability of the disease.
Results
Data from English Cocker spaniels with an ECVO eye examination registered between 2004–2013 were included in the study. The number of dogs examined during this period was 799, and the prevalence of distichiasis within this cohort was estimated at 49.31 % with a gender predisposition that females are more likely to get distichiasis than males. The correlation between the distichiasis status of the parents and their offspring revealed a significant association between the breeding combination of the parents and the occurrence of distichiasis in the offspring (p <0.0001). A relative risk (RR) ranging from 1.3 to 1.8 demonstrates that offspring of two affected parents are more likely to be affected than offspring descending from either one or two unaffected parents. The heritability was estimated to be moderate to high, i.e., 0.22 to 0.51.
Conclusions
The prevalence of distichiasis in English Cocker spaniels from Denmark, examined in 2004–2013 was shown to be extremely high. The relative risk of developing the disease was 1.3 and 1.8 for offspring of one or two affected parents respectively. This together with the moderate to high heritability of the condition indicates that selective breeding could be used to reduce the incidence of distichiasis.
Keywords
Distichiasis Canine Cocker spaniel Genetics Inheritance Prevalence Heredity

Lay summary
Distichiasis has long been recognized as a condition that causes severe discomfort and pain in many species of animals including dogs and humans [15, 22]. Distichiasis is characterized by aberrant lashes on the eyelid margin, from where the eye lashes may impinge on the cornea. Forty years ago, canine distichiasis had a low prevalence in the general dog population (1:133) [19], and it was suggested that a few breeds might be more commonly affected than others [5, 15, 19]. At present, it is well known that distichiasis affects many purebred dogs and occasionally some cross bred dogs as well, and the list of supposedly predisposed breeds now includes 109 different breeds [21]. English Cocker spaniels are known to be predisposed to many different conditions, including several eye diseases [1, 2, 8]. The most prevalent eye diseases reported are distichiasis, cataract and retinal dysplasia [27].
In an attempt to reduce the occurrence of inherited eye diseases, ophthalmic examination in the Cocker spaniel has been recommended since the 1990s, and is now compulsory for dogs intended for breeding within the Danish Kennel Club (DKC) [23]. In 2013 the Danish board of the European College of Veterinary Ophthalmologists (ECVO) introduced a new scheme in order to reduce the incidence of distichiasis in American and English Cocker spaniels [16]. The scheme will run for a trial period of five years, and includes grading distichiasis into three different grades according to the severity of the condition. Spaniels with severe distichiasis are excluded from breeding, and breeders are recommended to breed dogs with moderate distichiasis to unaffected or mildly affected dogs [16].
To date, there are no reported explanations of how, or why, the condition has become so widespread within some breeds. One suggestion, however, may be the increased use of affected dogs for breeding, or perhaps the selection of specific types of Cocker spaniels attending exhibitions, i.e., dogs with long and dense lashes. In this study, we have discovered that dogs diagnosed with distichiasis were used in 70.3 % of all breeding combinations over the last ten years. The most frequently used breeding combination was one affected and one unaffected dog (41.7 %), while using two affected dogs occurred in 28.6 % of matings. Another factor that could be contributing to the high incidence, is the way the sires are used for breeding within a specific population. Many sires, both affected and unaffected, produce far more offspring than the recommended limit of 105 puppies, which makes it quite difficult to measure the effect of preventive actions, and to control inherited diseases, such as distichiasis, within a population.
It could be hypothesized that if the presence of long and dense eyelashes is rewarded in the show ring, and if this is related to an increased risk of distichiasis, this could unfortunately lead to a higher prevalence among show dogs compared to the entire population. However, we have no solid evidence that supports this hypothesis.

Background
Canine distichiasis is characterized by an additional row of lashes in which the adventitious cilia (distichiae) emerge on the free margin of the eyelids through the meibomian gland orifices [10, 19]. Dogs may be uni-or bilaterally affected and distichiae may be found on one or both lids [19, 24]. The distichiae originate from abnormally located hair follicles within the tarsal plate tissue from which the distichiae grows, or in between the meibomian glands emerging through the meibomian gland orifices. Less frequently, the glands of Moll or glands of Zeis are used as the routes of least resistance, but this is rarer [8, 24]. One or multiple distichiae may use the same orifice, and the affected lid may bear only a few distichiae or, on occasion, the entire length of an eyelid may be involved, suggesting the existence of a double row of lashes in the dog as well [6, 19]. Lashes are only present on the upper eyelid in the dog, so the definition of a second row of lashes would be more analogous to distichiasis in man [19].
Many breeds are known to be predisposed to canine distichiasis, with purebred dogs being particularly affected. Occasionally the condition is seen in crossbred dogs as well [19]. The American and English Cocker spaniels are known to be some of the most frequently diagnosed breeds [4, 6, 19]. The condition is generally considered a congenital hereditary disease [7], but some authors suggest that the condition could be acquired due to long term chronic inflammation of the eyelids and conjunctiva [4, 15]. The condition is usually detected in young and adolescent dogs, with clinical signs manifested from two to six months of age, but the aberrant distichiae may sometimes arise later in life [4, 25, 28]. Acquired distichiasis may be more common in man, where it occurs as a result of ophthalmic diseases, or physical or chemical trauma to the adnexa [3].
It has been suggested that distichiasis is inherited as an autosomal dominant trait, however, this has not been formally proven. Therefore, the exact mode of inheritance and etiology has not been clarified [6, 15]. Nevertheless, due to the high incidence within specific breeds, some degree of genetic influence can be assumed, and the condition is considered a presumed inherited eye disease (PIED) [11, 18]. In a recent study on the systematic and environmental influences and the additive genetic variation of PIED in Tibetan terriers, distichiasis was demonstrated to be a hereditary condition with heritability of 0.043 [11]. Clinical signs associated with distichiasis vary greatly among affected dogs including the size, rigidity and the number of distichiae, although the severity of manifestation is not directly proportional to the number of cilia present [7]. Even though aberrant cilia in contact with the corneal surface are assumed to cause corneal irritation, distichiasis in the dog may be clinically insignificant in some individuals [8, 19]. Corneal irritation leads to trigeminal activation causing excessive tear production (lacrimation), mild conjunctivitis and blepharospasm, which are the most common signs associated with the condition, presented as epiphora and squinting of the eyes [7, 9, 15]. In the more advanced cases, clinical signs are more pronounced, especially when the cornea has been subjected to trauma. Symptoms include photophobia, swelling and hyperemia of the nictating membrane, keratitis and corneal ulceration [15, 19]. The diagnosis is made by identifying one or multiple cilia emerging from the meibomian gland orifices [19], and the treatment of choice depends largely on the severity of the clinical signs. In general, treatment is only considered necessary in clinically affected individuals and may involve either palliative treatment or curative surgery [8, 20]. None of the methods available today are completely satisfactory, and recurrence of disease is likely [8, 10].
In the present study we have examined a cohort of English Cocker spaniels in Denmark to determine the prevalence and heritability of distichiasis, and to evaluate the possibilities of using selective breeding as a means to reduce the incidence of the disease in the population.

Results
Animals
Data from 799 English Cocker spaniels with a pedigree registered in the Danish Kennel Club (DKC) together with an ECVO eye examination registered between 2004–2013, were used for the prevalence study. A subset of these dogs (n = 549) was included in the study of inheritance and heritability. The requirement for being included in this subset was that both the dog itself and both parents should have a registered ECVO eye examination certificate. In Denmark it is mandatory to chip mark and register all dogs in the Danish Dog Registry. The DKC registered Cocker spaniels constitute approximately one third of all Cocker spaniels in Denmark and thus, the dogs included in this study can be assumed to be representative for the Danish Cocker spaniel population.

Prevalence and sex distribution
Of the 799 dogs included, 394 dogs were diagnosed with distichiasis, and 405 dogs were unaffected. Thus, the prevalence of distichiasis in the population included in the study is 49.31 %. Twenty-five of the dogs diagnosed with distichiasis had additional ophthalmic diagnoses (6.4 %), whereas 32 of the dogs unaffected with distichiasis, had other ophthalmic diseases (7.8 %). There was a significant gender predisposition within the breed (χ 2 –test 6.7599, p = 0.009323), as 121 males and 273 bitches were diagnosed with distichiasis, while 161 males and 244 bitches were unaffected.

Inheritance and relative risk
As shown in Table 1, the 549 dogs for which the distichiasis status was registered in both parents were distributed in the following mating combinations: 157 dogs (28.6 %) produced by two affected parents; 229 dogs (41.7 %) produced by one affected and one unaffected parent (111 (48.5 %) and 118 dogs (51.5 %) of the 229 dogs with an affected father and mother respectively); and 163 dogs (29.7 %) produced by two unaffected parents. A significant association between the breeding combination of the parents and the prevalence of distichiasis in the offspring (p <0.0001) was detected. As shown in Table 2, the occurrence of distichiasis in the offspring was not significantly different when comparing the breeding combinations unaffected x not affected and not affected x not affected. However, a highly significant difference was found in the occurrence of distichiasis in the offspring descending from two affected parents compared to offspring descending from either one or two unaffected parents. The relative risk (RR) that the offspring will be affected by distichiasis increases proportionally with the number of affected parents used in the breeding combination. If one of the parents is affected, the relative risk is 1.3 times higher compared to using two unaffected dogs. If two affected dogs are used, the relative risk is 1.4 times higher compared to using one affected and one unaffected dog and 1.8 times higher compared to using two unaffected dogs (Table 2). However, both affected offspring from two unaffected parents, and unaffected offspring from two affected dogs were observed. These data, together with the increasing relative risk of disease in offspring with one and two affected parents respectively, indicate that distichiasis can be characterized as a threshold character. Threshold characters are traits that vary in a discontinuous manner, but are not inherited in a simple Mendelian manner.

Table 1
The association of the distichiasis status of the parents and their offspring

Breeding combinations
Offspring with distichiasis
Offspring without distichiasis
Total number
Affected x affected (+/+)
105
52
157
Affected x not affected (+/−)
106
123
229
Not affected x not affected (−/−)
60
103
163
Total
271
278
549

Table 2
Statistical significance of association

Compared breeding combinations
X 2-test
p-value
95 % CI
RR
+/− vs. −/−
3.13
0.08
[−0.01; 0.20]
1.3
+/+ vs. +/−
15.11
<1.0 x 10−4
[0.10; 0.31]
1.4
+/+ vs. −/−
27.76
<1.4 x 10−7
[0.19; 0.41]
1.8
+Parent affected by distichiasis. -Parent not affected by distichiasis

Heritability
The scale of liability (standard deviation from threshold) within the population of dogs comprising offspring from unaffected parents, and offspring from one and two affected parents, respectively, were used for the estimation of heritability according to published methods described for threshold characters [14]. The heritability (h2) of distichiasis was estimated at 0.22 when using offspring from one affected parent and 0.51 when using offspring from two affected parents.

Sires
In order to limit the detrimental effects of popular sires, the Danish Kennel Club has defined recommended maximum limits for the number of offspring per sire in each breed. The limits are defined as 25 % of the average yearly number of registrations as proposed by Indrebø (2008) [17]. For the English cocker spaniel, this limit corresponds to 105 offspring [26]. A total of 150 sires fathered the subset of 549 dogs included in the inheritance study. Within the 150 sires, 55 were diagnosed with distichiasis, while 95 were unaffected by the condition. Six of the 55 sires with distichiasis (11 %) and four of the 95 sires without distichiasis (4 %) exceeded the recommended limitation. The number of exceeded offspring ranged from 5 to 69 puppies (mean 35.4). Over the ten year period 2004–2013, English Cocker spaniel sires without distichiasis were preferentially used for breeding. In total, sires without distichiasis produced 3820 puppies (mean 40.2) distributed in 756 litters. Sires diagnosed with distichiasis produced 2708 puppies (mean 49.2) distributed in 509 litters.

The grading scheme
The grading of distichiasis in mild, moderate or severe was introduced on 1st August 2013. Therefore, only 135 of the 390 dogs diagnosed with distichiasis had a grade in addition to being registered as affected with distichiasis (36.4 %). The 135 dogs that had been graded included 116 (86 %) mild, 15 (11 %) moderate and four (3 %) severe.

Discussion
Canine distichiasis is considered to be a presumed inherited eye disease (PIED) in dogs, with the American and English Cocker spaniels being some of the most frequently diagnosed breeds [4, 6, 19]. The prevalence found in this study (49.31 %) is considerably higher than that of earlier studies performed in this breed. The highest prevalence found in earlier investigations was 26 %, including both English and American cocker spaniels [4, 6, 19], which is about half of what was detected here. The population included in this study represents approximately one third of the Danish Cocker spaniel population and thus, can be assumed to be fairly representative for the entire population. There is, however, a possible bias in our data because the registration of eye results is a requirement for obtaining studbooks for any offspring. Thus many of the dogs registered with eye examinations results in the DKC database, are likely to have been tested because the owner wants to use the dog for breeding.
Many of the dogs included in this study are presumably intended for breeding, because they have been judged, and awarded prizes at dog shows before the eye examinations. It could be hypothesized that if the presence of long and dense eyelashes is rewarded in the show ring, and if this is related to an increased risk of distichiasis, this could unfortunately lead to a higher prevalence among show dogs compared to the entire population. However, we have no solid evidence that supports this hypothesis.
We found a significant association (p < 0.0001) between the breeding combination of the parents and the prevalence of distichiasis in the offspring. The relative risk (RR) of producing affected offspring was found to increase with the number of affected parents in the breeding combination. I.e., in offspring produced by one affected and one unaffected parent the relative risk was 1.3 times higher compared to the risk in offspring produced by two unaffected dogs. In offspring produced by two affected dogs the relative risk was 1.4 times higher compared to offspring from the previously mentioned mating combination and 1.8 times higher compared to offspring produced by two unaffected dogs. Hence, the risk of producing dogs that will develop distichiasis at some point in their lives was almost twice as high when mating two affected dogs. These observations together with other data showing that simple Mendelian inheritance is unlikely, lead us to conclude that distichiasis is most probably inherited as a threshold character. Thus, we disagree with earlier assumptions that canine distichiasis is inherited as a dominant trait [6, 15].
The heritability of distichiasis was estimated according to methods described for threshold characters ([14]) and found to be in the range of 0.22-0.51 depending on whether the estimate was based on the offspring from matings between one affected and one healthy parent or matings between two affected parents. The discrepancy between the two estimates might be explained by increased inbreeding within one of the breeding combinations. Heritability for distichiasis has also been estimated in Tibetan terrier [18]. In this breed the heritability was estimated at 0.043, however, since the prevalence in the Tibetan terrier study population was much lower (11.43 % of 849 dogs) and since the heritability was calculated using estimates of additive genetic variation, the heritability estimates in the two populations are not directly comparable.
Although there have been no analyses of changing disease incidence with time, within the population, anecdotally, the proportion of affected animals has been increasing over the last few years. To date, there are no reported explanations of how, or why, the condition has become so widespread within some breeds. One suggestion, however, may be the increased use of affected dogs for breeding, or perhaps the selection of specific types of Cocker spaniels attending exhibitions, i.e., dogs with long and dense lashes. In this study, we have discovered that dogs diagnosed with distichiasis were used in 70.3 % of all breeding combinations over the last ten years. The most frequently used breeding combination was one affected and one unaffected dog (41.7 %), while using two affected dogs occurred in 28.6 % of matings. Another factor that could be contributing to the high incidence, is the way the sires are used for breeding within a specific population. Many sires, both affected and unaffected, produce far more offspring than the recommended limit of 105 puppies, which makes it quite difficult to measure the effect of preventive actions, and to control inherited diseases, such as distichiasis, within a population.
The grading scheme was introduced six months prior to this study, and since it is relatively new, no publications or statistics are available about distribution of the different levels of disease within the predisposed breeds. In this study, the majority of the graded dogs were only mildly affected, and moderate to severe cases were quite rare. This is consistent with the fact that distichiasis does not always cause clinical signs in the Cocker spaniel, and the identified distichiae are most frequently small and soft [6, 7]. Corneal ulcerations are also infrequently described in the literature [8, 19]. For now, there is no written standardisation for the characterisation of the different grades of disease severity. This may cause inconsistency in the distribution of the results, thus giving a misleading impression of the severity of the condition within a specific breed, as the grading is made solely on the subjective opinion of the eye scheme examiner. If the results are considered consistent, the scheme will be most applicable for identifying the general distribution of the disease within a population. Dogs with severe disease are excluded from breeding [16].
This study is to our knowledge the first study of prevalence and heritability of distichiasis in the Cocker spaniel. Since we have estimated a moderate to high heritability of the condition it will be possible to use selective breeding to reduce the incidence of disease. The high prevalence within this breed makes it impossible to exclude all affected animals without depleting the gene pool. The present breeding recommendations tries to overcome this by excluding only the severely affected. Thus, reducing the incidence of distichiasis must be regarded as a long time breeding goal.

Conclusion
The presence of breed predispositions and the relatively high occurrence within the population suggests a genetic influence for canine distichiasis. In the Cocker spaniel we have found that the risk of getting affected offspring increases when one or more parents are affected by distichiasis, suggesting the accumulation of presumed predisposing genes. These observations allow us to conclude that distichiasis is inherited as a threshold character. The moderate to high heritability that we have estimated of the condition indicates that selective breeding, primarily using unaffected or mildly affected dogs for breeding, will reduce the incidence of the disease.

Methods
Study design
Data from ECVO-certificates issued during 2004–2013 were retrieved from the Danish Kennel Club and analyzed in a retrospective cohort study. A total of 799 cocker spaniels were included and divided into two groups, based on their distichiasis status (distichiasis yes/no). Dogs with a registered ophthalmic examination without an ECVO-certificate were excluded, in order to ascertain that all dogs in the study had been examined in the same manner. Diagnosis of distichiasis was based on all ECVO-examinations performed during the lifespan of the individual dog, and comprised both confirmed diagnoses and comments regarding the presence of one or more distichiae. Several dogs were eye examined more than once during the study period. A dog was regarded as affected if just one of the examinations resulted in a distichiasis diagnosis. Additional status on the severity of the condition (if present) and presence of other ophthalmic conditions were listed. In order to evaluate the mode of inheritance and heritability, 549 of the initial 799 cocker spaniels were selected based on the availability of a valid ECVO-certificate on both of their parents. Dataset on the sires used to produce the selected 549 dogs, included number of litters and puppies produced both in total and on average in the breed. The “limit of number of puppies produced by popular sires” was outlined and the number of sires exceeding this limitation was noted.

Prevalence and Sex distribution
All of the 799 cocker spaniels with a valid ECVO-certificate issued during 2004–2013 were included to demonstrate the occurrence in the population and the distribution of the condition between sexes. The chi square test was used to test if the distribution between the sexes was significantly different.
Inheritance and relative risk
The 549 selected dogs were divided into two groups based on their distichiasis status, and further subdivided into three sections based on the breeding combination of their parents. The three breeding combinations of the parents were based on their distichiasis status, and consist of Affected x Affected, Affected x Unaffected and Unaffected x Unaffected. The relative risk was calculated to measure the association between the different levels of exposure and the risk of getting affected offspring.

Heritability
The scale of liability (standard deviation from threshold) within the population of dogs comprising offspring from unaffected parents and offspring from one and two affected parents respectively were used for the estimation of heritability according to methods described for threshold characters [12]. The calculations were performed using the program available at http://www.ihh.kvl.dk/htm/kc/popgen/genetik/applets/heritt.htm [13].

The grading scheme
The grading of distichiasis into mild, moderate and severe, has been introduced on an experimental basis, and no official written ECVO guidelines are available. As a rule of thumb; mild cases include a total of one to five cilia in all four palpebrae, and moderate cases includes a total of five to ten cilia in all four palpebrae. Severe cases include more than ten cilia in all four palpebrae, but the clinical health of the eye is also taken into consideration. If changes secondary to distichiasis are present in the eye, the grading will be moderate or severe regardless of the number of cilia.

Abbreviations
CI:
Confidence interval
ECVO:
European college of veterinary Ophthalmologists
h2 :
Heritability
p:
p-value
PIED:
Presumed inherited eye diseases
RR:
Relative risk
Declarations
Acknowledgement
The authors wish to thank The Danish Kennel Club for funding the project.
Competing interests
The authors declare that they have no competing interests.
Authors’ contributions
All authors read and approved the final manuscript.
Authors information
TP: DVM. MF: Professor, DVM, PhD, Dr. Vet:. Sci. HFP: DVM, phD, Special advisor at the Danish Kennel Club
Authors’ Affiliations
(1)
Animal Genetics, Department of Veterinary Clinical and Animal Science, Faculty of Health and Medical Sciences, University of Copenhagen
(2)
The Danish Kennel Club
(3)
Haslev Dyreklinik
(4)
Nyborg Dyrehospital
References
Agria Insurance Data: Updated dog breed statistics:2006–2011. Can be obtained from authors upon request.
Google Scholar

Agria Insurance Data: Updated statistics e.mail: HFRP@dkk.dk:1995–2006. Can be obtained from authors upon request. e.mail: HFRP@dkk.dk
Google Scholar

Anderson RL, Harvey JT. Lid splitting and posterior lamella cryosurgery for congenital and acquired distichiasis. Arch Opht. 1981;99.
Google Scholar

Barnett KC. Comparative aspects of canine hereditary eye diseases. Adv Vet Scien Comp Med. 1976;20:39–67.
Google Scholar
Bedford PGE. Eyelashes and adventitious cilia as cause of corneal irritation. J Small Anim Pract. 1971;12:11–7.
PubMedView ArticleGoogle Scholar
Bedford PGE. Distichiasis and its treatment by the method of partial tarsal plate excision. J Small Anim Pract. 1973;14:1–5.
PubMedView ArticleGoogle Scholar
Bedford PGE. The treatment of canine distichiasis by the method of partial tarsal plate excision. J Small Anim Pract. 1979;15.
Google Scholar

Bedford PGE. Conditions of the eyelids in the dog. J Small Anim Pract. 1988;29:416–28.
View ArticleGoogle Scholar
Bedford PGE: Diseases and surgery of the canine eyelid. In Veterinary Ophthalmology by Gelatt KN. 3rd edition, Lippincott Williams & Wilkins, 1999 (14):535–568.
Google Scholar

DSVO: Distichiasis/ectopisk cilie. Dansk selskab for veterinær ophthalmologi 2014. [http://dsvo.dk/ojensygdomme/]

ECVO Definitions: ECVO definitions. European College of Veterinary Ophthalmologists 2013. [http://ecvo.org/images/ecvo-manual/5-Definitions%20130304.pdf]

Falconer DS, Macay TFC. Threshold caracters. In: Introduction to quantitative genetics. 4th ed. Harlow: Longman; 1996. p. 300–11.
Google Scholar
Genetic calculation applet: Genetic calculation applets and other programs: Genetic changes by selection, 8.3 Applet for calculating heritability for threshold traits (diseases). 2014 [http://www.ihh.kvl.dk/htm/kc/popgen/genetik/applets/heritt.htm]

Genetic calculation applet: Genetic calculation applets and other programs: Test of the simple genetic hypotheses, experimental or field data, 5.3 Autosomal dominant inheritance. 2014 [http://www.ihh.kvl.dk/htm/kc/popgen/genetics/5/3.htm]

Halliwell WH. Surgical management of canine distichiasis. JAVMA. 1967;150(8):874.
PubMedGoogle Scholar
Hundeweb: Breeding and health restrictions conserning the English cocker spaniel. The Danish Kennel Club. 2014. [https://www.hundeweb.dk/dkk/public/openIndex?ARTICLE_ID=115]

Indrebø A. Animal welfare in modern dog breeding. Acta Vet Scand. 2008;50 suppl 1:S6.
PubMed CentralView ArticleGoogle Scholar
Ketteritzsch K, Hamann H, Brahm R, Gruβendorf H, Rosenhagen CU, Distl O. Genetic analysis of presumed inherited eye diseases in the Tibetan terrier. Vet J. 2004;168:151–9.
PubMedView ArticleGoogle Scholar
Lawson DD. Canine Distichiasis. J Small Anim Pract. 1973;14(8):469–78.
PubMedView ArticleGoogle Scholar
Maggs DJ. Eyelids. In: Maggs DJ, Miller PE, Ofri R, editors. Slatter’s fundamentals of veterinary ophthalmology. 5th ed. St Louis: Saunders Elsevier Publishing; 2013. p. 110–39.
Google Scholar
Miller PE. Appendix: Breed predispositions to eye disorders. In: Maggs DJ, Miller PE, Ofri R, editors. Slatter’s fundamentals of veterinary ophthalmology. 5th ed. St Louis: Sauders Elsevier Publishing; 2013. p. 469–79.
Google Scholar
Picó G. Congenital ectropion and distichiasis: etiologic and hereditary factors: a report of cases and review of the literature. Am J Opht. 1957;47:363–87.
View ArticleGoogle Scholar
Proschowsky HF: Personal communication, the Danish Kennel Club. 2014
Google Scholar

Raymond-Letron I, Bourges-Abella N, Rousseau T, Douet J, de Geyer G, Regnier A. Histopathologic features of canine distichiasis. Vet Opht. 2012;15(2):92–7.
View ArticleGoogle Scholar
Scheie HG, Albert DM. Distichiasis and trichiasis: origin and management. Am J Opht. 1966;61:718–20.
View ArticleGoogle Scholar
The Danish Kennel Club: DKK’s etiske anbefalinger. 2012, pkt. 6 [http://www.dkk.dk/xdoc/120/DKKs_etiske_anbefalinger_2012.pdf]

DKK Update: Hundeweb, the Danish Kennel Club Update 2014. [https://www.hundeweb.dk/dkk/public/openIndex?ARTICLE_ID=1&session_locale=en-en]

Williams LW, Peiffer RL, Gelatt KN, Gum GG. A survey of ocular findings in the American cocker spaniel. Florida Agr Exp Stat J Series. 1979;1487(15):603.
Google Scholar
Copyright
© Petersen et al. 2015
This is an Open Access article distributed under the terms of the Creative Commons Attribution License (http://creativecommons.org/licenses/by/4.0), which permits unrestricted use, distribution, and reproduction in any medium, provided the original work is properly credited. The Creative Commons Public Domain Dedication waiver (http://creativecommons.org/publicdomain/zero/1.0/) applies to the data made available in this article, unless otherwise stated.


Enkele artikelen over kanker bij honden door dr. Carol Beuchat.
Met toestemming overgenomen en vertaald van de website van het Institute of Canine Biology.


Kanker

Data van:
Dobson JM 2013 Breed-predispositions to cancer in pedigree dogs.  ISRN Vet Sci 2013; ID 941275 (pdf)

Lees mijn commentaar op deze data hier:
Cancer Surprises (wordt nog vertaald)

Stertecijfers t.g.v. kanker per ras.  (data van tabel1 in Dobson 2013)Boven - alfabetisch geordend
Beneden - op grootte geordend

Gemiddelde leeftijd overlijden.  (Data van tabel 1 in Dobson 2013)
Boven - alfabetisch geordend
Onder - op grootte geordend


Data van -
Modiano, JF, M Breen, RC Burnett, HG Parker, S Inusah, R Thomas, PR Avery, K Lindblad-Toh, EA Ostrander, GC Cutter & AC Avery  2005  Distinct b-cell and T-cell lymphoproliferative disease prevalence among dog breeds indicates heritable risk.  Cancer Res 65: 5654-566.

lymfoproliferatieve aandoeningen:

 


Egenvall A, A Nodtvedt & H vEuler  2007  Bone tumors in a population of 400,000 insured swedish dogs up to 10 y of age: incidence and survival.  Canad J Vet Res 71:292-299.

Bottumoren:

 

31-12-2014, Waarom krijgen honden kanker?

Sommige rassen lijken veel hogere aantallen gevallen van kanker te hebben dan andere. Flatcoated Retrievers, Berner Sennenhonden en Golden Retrievers zijn enkele rassen die hard lijken te worden getroffen. Er zijn enkele goede naar ras gespecifieerde data betreffende kanker die ik in voorgaand artikel ("Kanker") heb samengevat, en de relevante grafiek heb ik hieronder nogmaals geplaatst:

De duidelijke verliezers zijn hier de Ierse Water Sapniel, Flat-coat, draadharige Vizsla en de Berner Sennehond, maar er zijn vele ander rassen die een mortaliteit van meer dan 30%  kennen, welke te wijten is aan kanker. Aan de andere kant doen de Shih Tzu, Keeshond, Dashond en Lhasa Apso het beter dan de meeste. Deze data komen van een overzichtsstudie, en natuurlijk kanker kan in elk ras voorkomen en er zijn zonder twijfel Flatcoats en Berner Sennenhonden die kankervrij blijven tot in hoge ouderdom (dat hoop ik toch). Maar we kunnen deze data als een indicatie gebruiken voor ras-gevoeligheid.

Een interessant ding betreffende kanker bij honden is dat grote honden een hogere mortaliteit ten gevolge van kanker, lijken te kennen dan kleine honden. Ik heb dezelfde data als in bovenstaande grafiek genomen en deze afgezet tegen schofthoogte en je ziet in de grafiek (hieronder) die daaruit komt, dat sterfte ten gevolge van kanker toeneemt met de grootte van de hond (let op dat de schaal van de assen niet lineair is).

Er zijn enkele interessante punten die hier opvallen. Ten eerste, grote honden hebben meer kanker. Dit zou misschien te maken kunnen hebben met het IGF1 hormoon (insuline gelijkende groeifactor), die in grotere mate voorkomt in grotere dieren en is gelinkt aan een vergroot risico op kanker. Er is een populatie mensen in Ecuador waarbij een aandoening bekend als Laron syndroom, voorkomt die veroorzaakt wordt door een mutatie in het groeihormoon receptor (GHR). Deze patiënten zijn erg klein van postuur en krijgen zeer zelden kanker of diabetes. Dit lijkt gerelateerd te zijn aan de abnormaal lage waardes IGF1 -lagere waardes voor IGF1 reduceren de kans op kanker en andere leeftijd-gerelateerde aandoeningen.

Dus, zijn IGF1 waardes hoger in grote honden (of lager in kleine honden)? Het lijkt erop (Spichiger et al 2006; Kimberly et al 2011)

Kan selectie voor grotere honden per ongeluk het risico op het krijgen van kanker hebben vergroot? Wie weet, maar het lijkt de moeite waard om hier verder naar te kijken.

Het andere interessante punt betreffende mijn grafiek betreffende kanker-mortaliteit vs schofthoogte is dat er een hoop verstrooiing is rondom de lijn. Voor rassen van een bepaalde hoogte, kan de mortaliteit tweevoudig of meer variëren. Bijvoorbeeld, voor hun schofthoogte, hebben Shih Tzu's een exceptioneel laag kankersterftecijfer , terwijl het sterftecijfer voor de Welsh en Staffordshire Terrier veel groter is dan je zou verwachten voor hun formaat. Onder de grote rassen zijn de Ierse Water Spaniel, Berner Sennenhond en Flatcoated Retriever nog steeds degene die opvallen, terwijl de sterftecijfers voor de Pointer en Newfoundlander relatief laag zijn.

Al deze getallen in een grafiek gooien zoals we hierboven deden, laat je eenvoudig de rassen zien die hoog of laag op de schaal staan. Maar het laat niet de onderliggende en erg belangrijke relatie zien tussen kankersterftecijfer en grootte. Dit leidt tot twee interessante vragen-

1) waarom hebben grote dieren een hoger sterftecijfer ten gevolge van kanker, en

2) waarom hebben sommige rassen veel minder gevallen van kanker dan andere rassen van dezelfde grootte?

Tjonge, zouden we dat niet graag willen weten.

Dobson JM 2013 Breed-predispositions to cancer in pedigree dogs. Veterinary Sci 2013; doi 10.1155/2013/941275
Kimberly AG, LM Hughes, & MM Masternak. 2011. Connecting serum IGF-1, body size, and age in the domestic dog. AGE 33: 475-483.
Spichiger, AC, K Allenspach, Y Zbinden, MG Doherr, S Hiss, JW Blum, & SN Sauter. 2006. Plasma insulin-like growth factor-1 concentration in dogs with chronic enteropathies. Vet Med 51: 35-43.

 


12/9/2016
Door Dr. Carol Beuchat
Met toestemming vertaald door Briardinfo.nl en overgenomen van de website van het Institute of Canine Biology.

Het laatste decennium heeft er een grote verandering plaats gevonden in de wijze waarop we omgaan met genetische aandoeningen bij honden. Moderne gen technologie stelt ons nu in staat om enkelvoudige mutaties die specifieke aandoeningen veroorzaken relatief eenvoudig te identificeren. Er zijn DNA testen beschikbaar die toegevoegd worden aan de lijst van de routine van gezondheidsonderzoeken, die verantwoordelijke fokkers laten doen en de hond wordt “getest op gezondheid” verklaard.

Zoals ik elders al eens heb aangegeven, screenen DNA-testen op mutaties, niet op gezondheid. We weten met zekerheid dat er in elke hond en in elk ras veel meer mutaties aanwezig zijn, dan waar we nu vanaf weten, simpelweg omdat ze zich nog niet als ziekte in een hond hebben geopenbaard. Een hond kan redelijk gezond zijn, maar we kunnen zeker zijn dat het tientallen fouten in zijn genen draagt die onschadelijk zijn als enkelvoudige allelen, maar die als paar geërfd serieuze problemen kunnen geven.

Een heel interessant onlangs verschenen artikel, beargumenteert dat de “één gen, fenotype of ziekte concept”-benadering van onze genetische test programma's veel te simplistisch is.

In werkelijkheid, zien we dat een mutatie in een enkel gen, meerdere aandoeningen kan veroorzaken, niet alleen afhankelijk van omgevingsfactoren, maar ook van de “genetische omgeving”- de andere genen in dat individu.

Een ziekte veroorzakende mutatie zou alleen een probleem kunnen worden in een deel van de individuen die ook enkele andere regulerende genen draagt, genen die op elkaar inwerken zodat de expressie van een eigenschap verandert. We noemen dit “penetrantie”, wat eigenlijk een beleefde manier is om te zeggen dat een mutatie niet de enige reden is en we niet weten wat de andere milieu- of genetische factoren zijn die ook zouden kunnen meespelen.

De auteur pleit voor een verandering van perspectief welke fundamentele gevolgen heeft voor hoe we de genetische basis van ziektes in mensen en zeker ook in honden, benaderen. Onze benadering van genetische testen is gebaseerd op de veronderstelling dat we gezonde honden kunnen fokken door specifieke genen die deze veroorzaken, te elimineren, tenminste voor monogenetische aandoeningen. De auteur stelt een ander benadering voor.

“Critisch bekeken, zou het belangrijk kunnen zijn om het gebruik van deterministische begrippen te herevalueren, zoals de termen “oorzaken” of “opgelost”, aangezien zulke termen te simplistisch en onterecht stellen dat monogenetische aandoeningen penetrant zijn en minimaal variabel en dat allelen en Mendeliaanse loci niet kunnen worden beïnvloed door het omringend genoom” (Katsanis 2016)

Het ontwarren van complexe relaties die expressie van mutaties beïnvloeden waarvan gedacht werd dat ze Mendeliaans overerfbaar waren, gaat op zijn best moeilijk worden Er zijn verder problemen als blijkt dat gebrekkige testprotocols de bron blijken te zijn van dissonante uitkomsten, zoals we recentelijk hebben laten zien als de oorzaak voor de test voor de mutatie die geassocieerd wordt met degeneratieve myelopathie (Turba et al 2016). ( een primer* mismatch bleek de oorzaak van een incorrecte genotypering voor de SOD1 genen.)
(*Noot redactie Briardinfo.nl: Een primer is een klein stukje DNA of RNA dat gebruikt wordt als startpunt van de polymerasekettingreactie (een manier om uit zeer kleine hoeveelheden DNA specifiek één of meer gedeeltes te multipliceren tot er genoeg van is om het te analyseren). Er zijn steeds twee primers nodig, de forward en de reverse primer, één voor de coding-streng en één voor de template-streng.)

Het idee dat we de problemen van genetische aandoeningen bij honden kunnen oplossen, zelfs die veroorzaakt worden door simpele monogenetische mutaties, is misleidend. De gezondheidsstatus van een hond is niet de som van zijn gekende mutaties. Het fysiologische en biochemische proces achter elke eigenschap en functie zijn complex en de genen en andere factoren die hun expressie beïnvloeden des te meer.

Het selecteren in de fok tegen specifieke aandoeningen is niet de weg om gezonde honden te fokken. We moeten een groter, meer holistische kijk aannemen, erkennen dat we niet alles weten van de genetische en milieufactoren die op extreem complexe wijze op elkaar inwerken. Als we gezondheid nastreven, moeten we fokken voor de gezondheid van de hele hond.

Neem een paar minuten om dit uitdagende artikel te lezen (in het Engels). Het laat je misschien de weg zien naar echt gezonde honden op een totaal andere manier. Je kunt HIER een kopie downloaden.

Katsanis N. 2016. The continuum of causality in human genetic disorders. Genome Biology 17:233. DOI: 10.1186/s13059-016-1107-9

Turba ME, R Loechel, E Rombola, GGandini, & F Gentilini. 2016. Evidence of a genomic insertion in intron of SOD1 causing allelic drop-out during routine diagnostic testing for canine degenerative myelopathy. Anim Gen; doi: 10.1111/age.12525

 

 


Er kwam een vraag binnen, of er verschil is tussen recente inteelt en oude inteelt. 

Het antwoord: Recente inteelt en oude inteelt hebben inderdaad verschillende effecten. Recente inteelt heeft de neiging om in blokken van genen te verschijnen en dat die genen in blokken worden doorgegeven aan de nakomelingen. Hoe verder de inteelt toeneemt, hoe groter deze blokken worden. Dit heet "linkage disequilibrium", wat betekent dat twee merkers zich niet onafhankelijk van elkaar overerven. Grote blokken van genen maken het moeilijker voor een fokker om te selecteren voor bepaalde (gewenste) genen en tegen andere (ongewenste) genen, het wordt dus moeilijker eigenschappen te verbeteren.

Zoals je waarschijnlijk weet vindt er tijdens de meiose (wanneer eitjes en sperma worden gevormd) een uitwisseling plaats van DNA via "crossing-over". Dit splitst de blokken genen, dus oudere inteelt zit minder waarschijnlijk vast in een blok van genen die gezamenlijk zijn geërfd.

Hieronder staan drie panels van inteelt op de chromosomen, van één (links) tot 38 (rechts; je ziet de getallen boven elk panel staan). Er is één strip  voor elke 20 honden in een panel (zelfde honden in elk panel). Recente inteelt (ongeveer 6 generaties) staat in de bovenste panel. Oudere inteelt (50 generaties) in het midden en oude inteelt (>100 generaties onderaan).

 

error: Content is protected !!