Spring naar inhoud

Waarom hebben honden zoveel genetische aandoeningen?

Door Carol Beuchat PhD
Met toestemming vertaald en overgenomen van de website van het Institute of Canine Biology

De lijst van genetische aandoeningen bij honden lijkt elke dag langer te worden en je moet je afvragen of dit “normaal” is. Natuurlijk alle dieren kennen erfelijke aandoeningen, maar is de hond typerend voor andere dieren?

Eén van de beste online bronnen voor informatie over genetische eigenschappen in zoogdieren en vogels is OMIA -Online Mendelian Inheritance in Animals. Het bevat informatie over zowel gedomesticeerde als wilde dieren en zelfs een paar vogels en vissen. OMIA geeft het totale aantal eigenschappen of aandoeningen weer waar zij informatie over hebben, als wel het specifieke gen of mutatie indien bekend.

Ik heb enige data van die site geplukt om enkele grafieken te maken.

De eerste grafiek laat het aantal ziekten of eigenschappen zien van een scala aan gedomesticeerde dieren, waar zij informatie over hebben.
De hond overstijgt alle andere soorten in het aantal gedocumenteerde genetische aandoeningen met 619, (op verre afstand) gevolgd door het gedomesticeerde rund met 443. Vandaar gaat het aantal verder omlaag (219 bij paarden, 18 bij cavia's, 7 bij fretten). Een aantal van deze dieren wordt commercieel gefokt (b.v. koeien, schapen, varken), terwijl anderen worden gehouden als huisdier (b.v. kat, cavia), of voor voeding of wol (b.v. geit, lama, alpaca).

Deze tweede grafiek is van wilde (niet-gedomesticeerde) dieren. Als eerste valt het verschil op in de schaal van de Y-as in vergelijking met de eerste grafiek. Het maximale aantal eigenschappen/genen is hier minder dan 10 en voor sommige van deze soorten zijn de opgenomen eigenschappen voor dingen als vachtkleur of bloedgroep, dus niet eens ziekten (om eerlijk te zijn, waren er ook enkele van dit soort eigenschappen in de data voor honden, maar ik heb die niet in die grafiek meegenomen).

Dit is op geen enkele wijze een systematisch onderzoek – er is misschien minder bekend over wilde dieren omdat ze...juist, wild zijn. Maar het verschil tussen gedomesticeerde en wilde dieren is behoorlijk duidelijk. In het algemeen, wordt domesticatie geassocieerd met de opstapeling van genetische aandoeningen en in het bijzonder bij dieren die gefokt zijn in grote getale met een significante selectie (b.v. vee, waarin verschillende rassen geselecteerd zijn voor vlees of melk productie). Maar veruit de meeste genetische schade is bij de hond aangericht. Honden hebben tweemaal zoveel genetische aandoeningen dan katten en bijna drie keer zoveel dan in paarden. Dus ja, het lijkt dat honden meer dan hun eerlijke deel aan genetische ziekten hebben.

Waarom is dit zo?

De beste aanwijzing ligt waarschijnlijk in de informatie voor de wijze van vererving van deze ziekte genen.

De OMIA tabel bevat een totaal van 619 eigenschappen/aandoeningen voor honden, 240 daarvan worden Mendeliaans geacht te zijn en voor 165 van hen is de mutatie en wijze van overerving bekend.

Laten we eens kijken naar de wijze van overerven van de aandoeningen waarvoor dit bekend is. Ik heb de wijze van overerven verdeeld in 4 types – AR (autosomaal recessief), X-R (X-linked recessief), AD (autosomaal dominant) en mtDNA (mitochondriaal DNA, welke alleen van de moeder kan komen).

Verreweg de meerderheid van deze aandoeningen waarvan de wijze van overerven bekend is, is autosomaal recessief. Recessieve genen worden alleen zichtbaar als het dier twee kopieën van het allel krijgt, één van de vader en één van de moeder, een conditie die homozygoot wordt genoemd. Dus beide ouders hadden tenminste één kopie van dit specifieke allel.

Wat gerealiseerd moet worden betreffende autosomaal recessieve genen is dat er velen van hen in het genoom van elk dier verscholen liggen. Er treden voortdurend mutaties op: als het gemuteerde gen dominant is, wordt de eigenschap zichtbaar en als het nadelig is voor de gezondheid van het dier, kan het worden verwijderd uit de populatie door ruiming (door de natuur of door de fokker). Als het gemuteerde gen echter recessief is, wordt het niet zichtbaar, en blijft verborgen voor de natuur en fokker. Zolang recessieve allelen betrekkelijk zeldzaam zijn in het ras, kunnen ze er vele generaties rondhangen zonder ziekmakend effect.

Als een populaire hond veel nakomelingen produceert, worden veel kopieën van diens genen, zowel de goede als slechte, verspreid in de populatie. Als het aantal kopieën van de verborgen recessieve allelen toeneemt in de populatie, neemt de kans toe dat twee honden worden gepaard die beide een bepaald recessief allel hebben en dat is het moment dat je aangedane  -homozygote- puppy's gaat zien. De grootte van de populatie kan hierbij belangrijk zijn -in een ras met tienduizenden honden (denk aan de Labrador of Golden Retriever), moeten er veel meer kopieën van het slechte allel geproduceerd worden (in de vorm van puppy's) dan als de totale fokpopulatie uit slechts een paar honderd honden bestaat (denk aan zeldzame rassen zoals de Chinook en IJslandse Herdershond). Kleine rassen zijn veel gevoeliger voor de accumulatie van recessieve allelen en er is een veel groter risico dat het allel gefixeerd raakt in het ras (dit is dat alle individuen homozygoot zijn voor het allel).

De andere manier om te eindigen met zieke puppy's, zelfs als de frequentie van het recessieve allel in de populatie erg laag is, is door te fokken met verwante honden. Een dekreu die een slecht allel draagt die gepaard wordt met zijn kleindochter, heeft een grote kans homozygote puppy's voort te brengen – en beide kopieën van het slechte allel kunnen dan van hem komen (dit heet homozygoot door afstamming, wat betekent dat beide kopieën van het allel zijn geërfd van dezelfde voorouder.)

Nu terug naar de grafiek hierboven. De meeste genetische aandoeningen bij honden zijn een consequentie van gepaarde autosomaal recessieve allelen en dit is opgetreden door de fokpraktijken die we net besproken hebben. Dit betekent dat deze ziekten compleet VERMIJDBAAR waren.

Het is geen mysterie waarom de lijst van erfelijke aandoeningen steeds langer wordt en als je denkt dat jouw ras “relatief gezond” is, denk dan nog eens na. ALLE honden hebben verkeerde allelen. Je kunt op geen enkele manier weten welke jouw hond heeft of zelfs welke er in je ras voorkomen, totdat ze zichtbaar worden.

Dit is een taai probleem, maar geen nieuwe. Enkele decennia terug, bevond de veeteelt zich in een zelfde situatie. Met de opkomst van commerciële boerderijen en nieuwe reproductie technologieën, konden honderden genetisch identieke embryo's geproduceerd worden van de beste stier en koe door het implanteren in surrogaat koeien. Dit zorgde voor kunstmatig gecreëerde bottlenecks (de meeste dieren produceerden geen nakomelingen met hun genen), de genetische diversiteit in de rassen nam dramatisch af en inteelt depressie begon zijn tol te eisen. Wat voor een omkering zorgde, was de invoering van fokstrategieën die zowel voor de genetische verbetering van de veestapel zorgen, als de genetische gezondheid van het gehele ras beschermen.

Deze technieken werken voor vee en ze werken ook voor honden, in feite, organisaties met een eigen fokkerij voor de productie van geleidehonden, gebruiken deze fok technieken al decennia en met groot succes. Het onderwerp voor een volgend artikel...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

error: Content is protected !!